HOME
ZOEKTIPS
LINKS en LITERATUUR
ORGELS
LAATSTE WIJZIGINGEN
OVER ONS
DONATIES


LAATST BIJGEWERKT OP 08-10-2017

Willibrordus

Ga naar de site van de patroonheilige
 
Parochie/kerkgemeente: H. Willibrordus
Dekenaat/kerkverband: Venray
Soort gebouw: Parochiekerk
Plaats: Geijsteren
Gemeente: Venray
 
Adres: Dorpsstraat 18
Postcode: 5862 AE
 
Kadastrale gegevens: Wanssum 02 A 1239
Bouwpastoor/bouwpredikant: J.N.H. van Wijngaarden
 
Architect(en):
 
Kunstenaar(s):
 
Huidig gebruik: R.K. Kerk

Foto: Sander van Daal, september 2008

Ruimtelijke context

De St. Willibrordkerk staat in het centrum van het dorp op de rand van een hoog gedeelte langs de provinciale weg. Aan de absiszijde loopt de grond een stuk naar beneden. Het gevolg is, dat de kerk aan de straatzijde goed zichtbaar is, mede doordat alleen laagbouw de kerk omringd. Aan de straatzijde staat de kerk, op enige sparren en struweel na, vrij. Aan de andere zijde is de kerk tot op enkele meters ingebouwd door woonhuizen. De klokkentoren staat op een kleine open ruimte tussen de huizen, de klokken hangen op slaapkamerhoogte. De toren is van de straatzijde af niet te zien.

Type

De niet-georiënteerde zaalkerk heeft een crypte en twee zijkapellen, mitsgaders en aantal liturgische zij- en bijruimtes. De kerk is opgetrokken in baksteen met rondboogoverspanningen en heeft een axiale opstelling.

Bouwgeschiedenis

Voorgangsters

Vooroorlogse kerk van Geijsteren. Bron: De vernielde kerken van Limburg / A. van Rijswijck, pr. - 1946

In de tiende eeuw werd te Geijsteren een houten kerk gebouwd. Deze werd door een stenen kerk vervangen. In 1864 werd de middeleeuwse kerk gesloopt en vervangen door een neogotische zaalkerk, naar ontwerp van architect Carl Weber. De middeleeuwse toren bleef behouden en werd in 1885 en 1923 gerestaureerd door respectievelijk Weber en Caspar Franssen. De kerk werd op 5 november 1944 verwoest.

Huidige kerk

Foto: Sander van Daal, september 2008

Het kerkbestuur verzocht het ministerie van Onderwijs, Kunst en Wetenschappen in november 1946 tot het beschikbaar stellen van een subsidie om de Willibrorduskerk en haar monumentale toren te kunnen herbouwen. In de jaren 1947-1948 wordt er door diverse instanties een stevige pennenstrijd gevoerd over de locatie van de nieuwe kerk. De pastoor, ondersteund door het bisdom en het Bureau voor de Wederopbouw, opteerde voor herbouw in de dorpskern. Zij hanteerden planologische en pastorale argumenten. De Rijksdienst voor de Monumentenzorg, het Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap, de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek, de burgemeester van Wanssum en tevens kasteelheer van Geijsteren, baron Weichs de Wenne, en prof. dr. J.J.M. Timmers hielden vurige pleidooien om nieuwbouw te realiseren op de oude locatie. Hun argumenten waren van financiële, maar vooral van historische aard. De fundamenten van de neogotische kerk zouden te herbruiken zijn, terwijl de toren herbouwd kon worden. Kasteel en kerk vormden een eenheid, want beide lagen binnen hetzelfde grachtenstelsel. Bovendien – zo was de stellige overtuiging – hadden de opgravingen van prof. Dr. Glazema de resten van een zeer oude, houten kerk aan het licht gebracht, waarvan men vermoedde dat zij wel eens door Willibrordus gesticht zou kunnen zijn. Geijsteren was immers ‘vanouds’ een Willibrordusbedevaartsoord (vooral geconcentreerd rond de Wilbertskapel in de bossen rond Geijsteren). De kerk werd uiteindelijk toch op een nieuwe locatie herbouwd. Architect Boosten was aangezocht de nieuwe kerk te ontwerpen. Op 20 oktober van dat jaar keurde de WGA Boosten's (gewijzigde) plan goed. De kerk werd aanbesteed op 9 oktober 1948 aanbesteed en op de 18de van die maand gegund aan de laagste inschrijver, Van Alphen uit Drunen. De eerste steen werd gelegd op 20 maart 1949. De kerk werd op 18 december 1949 ingezegend en anderhalf jaar later geconsacreerd. De geplande kerktoren is nooit gebouwd. De uit 1416 stammende Catharinaklok hing in een houten klokkenstoel bij de kerk. In 1978 was deze klokkenstoel aan vervanging toe. Pastoor Peters stelde het bisdom voor een betonnen klokkentoren naar ontwerp van architectenbureau Lerou te bouwen op het plein achter de kerk. De betonfabriek in Wanssum had haar steun reeds toegezegd en ook de gemeente zou subsidiëren. De toren werd op 11 november 1979 ingezegend.

Veranderingen

De kapel voor de familie Weichs de Wenne werd waarschijnlijk niet als zodanig ingericht. Er staat een altaar, maar dat wordt gebruikt als Maria-altaar. Het zijaltaar naast het priesterkoor, dat op de tekening uit 1948 nog te zien was, werd niet geplaatst. Hierdoor bleef de ruimte open. In de jaren zestig werd de kerk geschikt gemaakt voor de Missa ad faciem versus populum. Hiertoe werd het sacramentsaltaar, dat tegen de absismuur stond, omgedraaid en verplaatst. Hierbij kwam de bolzwenkende en niet-geprofileerde zijde van het altaar naar het volk te staan. Tegelijkertijd werden de trappen van het priesterkoor naar voren verplaatst en de communiebanken verwijderd. De nieuwe trappen werden over de volle breedte aangelegd, maar dienden aan de ambonzijde te worden voorzien van een holzwenkende zijkant, omdat de ingang van de crypte vrij moest blijven. De trappen werden ook aan de andere zijde van deze aanpassing voorzien, zodat zij symmetrisch werden uitgevoerd. De oorspronkelijke tegelvloer op het priesterkoor werd mogelijk niet verwijderd, maar in ieder geval wel bedekt met parket, dat doorloopt tot aan de trappen. De tabernakel werd op een gemetselde sokkel met een mensa geplaatst in de absis. De zangtribune werd al vrij snel zeer onpraktisch gevonden. Het geluid van het orgel was slecht te horen voor het koor en ook was het koor in de kerk slecht te horen. Op een onbekend moment, maar al snel na de ingebruikname, werd besloten het zangkoor achter in de kerk te plaatsen. Later werd een zangtribune gemetseld als verhoging. De oude zangtribune werd met in hout gevat glas afgesloten en buiten gebruik gesteld. Thans is de ruimte in gebruik als opslagplaats. Het altaar in de crypte is eveneens van de muur af gehaald en als volksaltaar opgesteld. Hetzelfde is naar alle waarschijnlijkheid gebeurd met het altaar in de zijkapel aan de westzijde van de kerk. In deze kapel staan tevens de biechtstoelen, maar deze zijn door de plaatsing van extra banken niet meer te gebruiken. Ook in de crypte werden banken geplaatst. De ingang aan de zuidzijde wordt weinig gebruikt. ‘s Winters is hij geheel afgesloten en hangt een gordijn tegen de tocht tegen de tochtdeuren. De doopkapel wordt gebruikt als opslagruimte en, hoewel nog intact, wordt niet meer als zodanig gebruikt. Op een foto van vlak na de oplevering is een dakruiter op de kerk te zien. Op de bouwtekeningen kwam deze niet voor. De inmiddels verwijderde dakruiter bestond uit een open klokkenstoel onder een zadeldak. De kerk was belegd met leipannen, die bij de laatste dakrestauratie zijn vervangen door leien.

Exterieur

De voorgevel, die gericht is op het zuiden, wordt gedomineerd door een groot roosvenster met betonnen maaswerk. De gevel is opgetrokken uit baksteen, waarin in de topgevel vlechtingen zijn aangebracht. De schouderstukken zijn in natuursteen. Op de topgevel staat een ijzeren kruis. Op de zuidwesthoek staat onder een zadeldak een zijportaal. De voorgevel van dit portaaltje heeft een rondboogvenster. De dakgoten hangen in het zicht aan gebouchardeerd gewapend betonnen lijsten. De westgevel heeft een roosvenster en een groot rondboogvenster. Voorts doorbreken vier rechthoekige ramen van de sacristie en drie kleine kelderraampjes deze gevel. Boven de sacristie- en kelderramen zijn ontlastingsboogjes aangebracht. De halfronde koorpartij is naar het noorden gericht. In de noordwesthoek leidt een gemetselde trap naar de sacristie. Het koor heeft tweemaal twee door een steunbeer gescheiden langwerpige rondboogvensters. Precies daaronder bevinden zich tweemaal twee kleinere rondboogvensters die de crypte van licht voorzien. Onder de dakrand is een uit drie rondboogjes bestaande pseudo-dwerggalerij gecreëerd. Tegen de oostgevel staat de Mariakapel. Een rondbogige deur onder deze kapel verschaft toegang tot de crypte en de kelders. Twee rondboogvensters doorbreken het muurvlak. De kapel heeft een lessenaardak. De muur van het schip wordt gedomineerd door twee zeer grote rondboogvensters. Het hoogteverschil tussen de crypte en de Mariakapel wordt overbrugd door een gemetselde trap. Ter plaatse waar de toren gepland was, is een portaal onder een zadeldak gebouwd, waarin zich thans de hoofdingang van de kerk bevindt. De dakgoten hangen in het zicht aan gebouchardeerd gewapend betonnen lijsten. In de topgevel staat een grote dubbele deur met een rondboog. Hierboven staat in de oostelijke zijgevel een driepasraam. In de ruimte hiernaast staan twee rondboogvensters. Achter de kerk staat de ongelede klokkentoren. Deze is van beton en bestaat uit vier pijlers, waartussen op samenkomende neuten een horizontale plaat is gemonteerd. Hierboven hangt de klokkenstoel. De opengewerkte toren is gedekt met een tentdak met bakgoten en gekroond met een bol en weerhaan.

Interieur

Zicht op het priesterkoor

 Zicht op het schip

De kerk wordt betreden door het portaal aan de oostzijde van de kerk. Het portaal heeft een open dakstoel In de kerk staat direct links achter in de zangtribune. Deze bestaat uit een opgemetselde verhoging met bolwelvende hoeken en een ijzeren hekwerk. Het kerkschip is een ongelede, rechthoekige ruimte. De vloeren zijn bedekt met grijze natuursteen en de wanden zijn opgetrokken in schoon metselwerk in Vlaams verband met platvolle voeg. De westwand heeft twee scheibogen die toegang bieden tot de zijkapel. In deze kapel staan de biechtstoelen. Tegen de westwand is tevens een zwaluwnestorgel aangebracht en de toegang tot een gang, waardoor de doopkapel, de trap naar de voormalige zangtribune en de ingang aan de zuidzijde bereikt kunne worden. Richting het koor wordt de wand door twee rondbogen doorbroken. Daarachter bevindt zich de voormalige zangtribune. Schip en koor zijn door een triomfboog gescheiden. Drie gekoppelde rondbogen doorbreken de triomfboog. Het schip heeft een open dakstoel. Op de hanenbalken staan de acht zaligheden geschreven. De oostwand heeft twee grote  rondboogvensters. Boven de toegangsdeuren staat een driepasraam. Het koor verheft zich vier treden boven het schip. De treden zijn aan de zijkanten holzwenkend, aan de westzijde loopt een trap naar beneden naar de crypte. Tussen de traptreden en de muur aan de ene zijde, tussen de treden en het ambon aan de andere zijde staat een ijzeren hekwerk. Aan de oostzijde van het priesterkoor is een verbinding met de Mariakapel. Aan de westzijde op het priesterkoor staat een ambon. Deze is gemetseld en voorzien van een houten kuip. Een deur in de westwand biedt toegang tot de sacristie. Daarboven is – net als in het schip – een rondboog aangebracht die in verbinding staat met de zangtribune. In de oostwand van het koor biedt een boog toegang tot de Mariakapel. Het koor heeft een uit baksteen opgetrokken gewelf. Centraal staat het volksaltaar, dat de bolzwenkende zijde naar het volk heeft staan. Op de vloer op het priesterkoor ligt parket. In de zijbeuk zijn op de begane grond in de zuidwesthoek de doopkapel gesitueerd, waarvan de vloer lager ligt dan dat van het schip. De kapel is recht met één holwelvende hoek en heeft een roosvenster met glas-in-lood. Aan deze zijde staat een ingang, die via aan deur aan de zijde van het westportaal toegang geeft tot een kleine kapelachtige ruimte met een absis. Hierachter volgt een gang, waarin de toegang tot de doopkapel ligt. De kapel en de gang zijn van elkaar gescheiden door een houten deur in een wand met glazen panelen. Daar tegenover ligt de toegang tot de kerk, die is afgesloten met een tochtdeur in een wand, die beide bestaan uit hout met glazen panelen. De gang loopt door naar een volgende ruimte, waarin de trap naar de voormalige zangtribune is weggewerkt. Bovendien bevindt zich in de zijbeuk een rechthoekige zijkapel en is de trap die naar de zangtribune leidt weggewerkt. De sacristie, die eveneens in de zijbeuk is geïncorporeerd, is onderkelderd. De ruimtes in de zijbeuk hebben vlakke plafonds. De kapel aan de oostzijde is rechthoekig en heeft een vlak houten plafond met balken. Op de vloer liggen blauwe tegeltjes. Het vloerniveau is gelijk aan dat van het schip. Door vier treden op te lopen komt men op het priesterkoor. De kapel heeft een altaar. De banken zijn draaibaar en kunnen zowel op het presbyterium als op het Maria-altaar worden gericht. Licht wordt toegelaten door twee rondboogvensters. Aan de zuidzijde van de kapel staat een zware houten deur met rondboog, de direct toegang geeft tot buiten. De crypte wordt bereikt vanuit de kerk via een trap onder het ambon. Als afscheiding tussen de kerk en de crypte is een deur aangebracht van hout en hardboard. De crypte strekt zich uit onder het priesterkoor en is overkluisd met kruisgewelven, die geschraagd worden door gewapend betonnen, basementloze zuilen met teerlingkapitelen. De vloer bestaat uit een gemetselde baksteen in sierverband. Het altaar staat in de absis op een gemetselde verhoging. Het is gemetseld en bedekt met crèmekleurig geschilderde zandsteen. Het altaar bestaat uit een prismatische voet met een blindnis en een blad. Aan de oostzijde kan de crypte van buitenaf worden betreden door een houten deur, die toegang geeft tot een rechte kelder met een recht plafond. Door nogmaals door een deur te gaan wordt de crypte betreden. In de crypte staan banken opgesteld.

(Bron: Dr A. Jacobs en Drs. A.A. Wiekart – Kerken na 1940. Inventarisatie en waardenstelling kerkelijke bouwkunst na 1940 –Roermond – Stichting Monumentenhuis Limburg, 2003).

Zie ook: http://www.dekenaatvenray.nl/

Orgel

Begin 19e eeuw kreeg deze kerk blijkens de verzameling “Orgelbeschrijvingen” van Broekhuyzen (medio 19e eeuw) de beschikking over het door König (Keulen, D) voor het vm.klooster “Jerusalem” te Venray gebouwde orgel, dat in 1831 werd gewijzigd door Gebr.Franssen (Horst); in 1929 plaatste Verschueren Orgelbouw (Heythuyzen) een nieuw orgel, dat in 1944 verloren ging; voor de nieuwe kerk bouwde dezelfde firma in 1951 een nieuw tweemanuaals orgel.

                               Hoofdwerk                           Zwelwerk                              Pedaal

                               Prestant 8’                            Tolkaan 8’                            Subbas 16’

                               Bourdon 8’                            Holpijp 8’

                               Octaaf 4’                               Zing.prestant 4’

                               Mixtuur III-IV                         Roerfluit 4’

Bron : G.M.I.Quaedvlieg – Orgeldocumentatie Limburg (Stadsbibliotheek Maastricht)

 

In de Mariakapel twee ramen: voorstellingen: annunciatie en visitatie. In de doopkapel: roosvenster met voorstelling. Centraal staat een vis, waarboven en duif. Linksboven staat een kruik, waaruit water loopt.

Beschrijving en afbeeldingen

Gladde ronde kuip zich naar boven verwijdend met vier kubusvormige uitsteeksels boven de rand van het voetstuk. Gewelfd deksel (XVIIB) met brede rand van lopende knorren en twee sierranden. In de top een bol.

Als vieringaltaar staat een mensa op twee stipes. De mensa is aan drie zijden recht en geprofileerd, aan één zijde bolwelvend en glad. Oorspronkelijk was het als hoogaltaar is gebruik en stond deze andersom tegen de absismuur aan.

De deuren zijn versierd met telkens een aantal aren naast een druiventros. Op de rand staat de tekst: CIBAVIT EOS EX ADIPE / FRUMENTI ET DE PETRA / MELLE SATURAVIT NOS. De tabernakel stond van oudsher op het sacramentsaltaar, maar werd na de verplaatsing van het altaar op een gemetselde sokkel geplaatst in de absis.

Willibrordus
Willibrordus
Willibrordus
Willibrordus
Willibrordus
Willibrordus
Willibrordus
Willibrordus
Willibrordus
Willibrordus
Willibrordus
Willibrordus
Willibrordus
Willibrordus
Willibrordus
Willibrordus