HOME
ZOEKTIPS
LINKS en LITERATUUR
ORGELS
LAATSTE WIJZIGINGEN
OVER ONS
DONATIES


LAATST BIJGEWERKT OP 08-10-2017

Christus Koning

Ga naar de site van de patroonheilige
Ga naar site van het gebouw c.q. de parochie
 
Parochie/kerkgemeente: Christus Koning
Dekenaat/kerkverband: Schinnen-Geleen
Soort gebouw: Parochiekerk
Plaats: Geleen
Gemeente: Sittard-Geleen-Born
Wijk: Kluis
 
Adres: Kluis 19
Postcode: 6165 EL
 
Kadastrale gegevens: Geleen C 3494
Bouwpastoor/bouwpredikant: W.P. Wermeling
 
Architect(en):
 
Kunstenaar(s):
 
Huidig gebruik: R.K. Kerk

Vieringaltaar, graniet, 1953. Twee stipes met daarop een mensa.

Zijaltaar, travertijn, 1953. Stipes met daarop een mensa.

Zeszijdige teerling op een ronde zuil met rond basement. Het deksel is koepelvormig met een bol en een kruis. Aan de bovenzijde van de vont staat: HERBOREN / UIT WATER / EN DE H. GEEST / ZULT GIJ / DOOR UW GELOOF / GETUIGENIS AFLEGGEN / VOOR DEN / CHRISTUS. De tekst wordt gescheiden door symbolische afbeeldingen van een bootje op de golven met op het zeil een chiroteken, een Geestesduif, olielamp met chiroteken, en chiroteken.

In de Mariakapel.

In de roosvensters in de transeptarmen en in vensters in de zijbeuken werden voorzien van drie-lagenglas. In de zijbeuken werd dit in 1978 vervangen, in de transepten en de Sint-Jozefkapel is dit nog aanwezig.

Meer foto's ››

Foto: juni 2006

Ruimtelijke context

Het kerkcomplex, bestaande uit de Christus Koningkerk, pastorie, kapelanie, lagere scholen, kleuterschool en Groene Kruisgebouw, stond in het centrum van de parochie. Dit ensemble is met uitzondering van de Sint-Jansschool. Tegenover de kerk ligt een reeks winkels en horecagelegenheden. De stratenstructuur is slechts gedeeltelijk op de kerk gericht. De kerk wordt omgeven door plantsoenen, grasvelden en bomen.

Type

De Christus Koningkerk is een niet-georiënteerde bakstenen kruisbasiliek met een koor- annex vieringtoren. De banken zijn axiaal opgesteld. Kerk en pastorie zijn middels een kantoortje met elkaar verbonden.

Bouwgeschiedenis

Noodkerk

Geleen groeide na de opening van de Staatsmijn Maurits zeer sterk. De parochiekerken in Oud-Geleen en Lutterade waren al voor de oorlog te klein. In Lindenheuvel werd reeds voor WO II een derde katholieke parochiekerk gebouwd. Toen direct na de oorlog de kolenproductie duchtig ter hand werd genomen, werden met behulp van acties nieuwe arbeiders naar Limburg gehaald, ook vanuit het buitenland. Vanzelfsprekend moest er voor hen huisvesting komen. Het voor de oorlog nog puur agrarische gebied rondom de Kluis en het Kapellerveld werd voor de woningbouw bestemd. Aangezien zowel de school als de kerk van H.H. Marcellinus en Petrus in Oud-Geleen te ver weg lagen, werd in 1948 de Kluisparochie opgericht. Bouwpastoor W.P. Wermeling koos als titel voor parochie en kerk Christus Koning. Later werd daar de titel H. Jozef aan toegevoegd. Eén van de moeilijkheden waar de bouwpastoor tegenaan liep, was gelegen in het feit, dat de kwartjesactie van het bisdom samenviel met zijn eigen inspanningen om de financiën rond te krijgen. Derhalve werd in eerste instantie de 17de -eeuwse St. Rochuskapel - de Kluis – in gebruik genomen als parochiekerk, maar die was van meet af aan te klein. Bovendien was de kapel verwaarloosd en had zij - als slachthuis en veldkeuken gebruikt door het Engelse leger – ernstige te lijden gehad. Bij een stevige opknapbeurt werden plannen gemaakt voor uitbreiding, maar deze zijn niet gerealiseerd. Daarom werd in 1949 een noodkerk gelegen aan de Kummenaedestraat in gebruik genomen. Dit had wel enige voeten in de aarde, omdat het eerst aangekochte terrein werd afgekeurd door de Staatsmijnen in verband met grondverstoringen (mijnschade) en bovendien te klein was. Een houten loods, die als noodkerk was gedacht, stortte bij de demontage ineen. Uiteindelijk ontwierp kerkmeester J. van Kan, die tevens bouwkundige was, een stenen noodkerk, die op een perceel aan de Kummenaedestraat verrees. De noodkerk was een grote zaalkerk met een verlaagd aanbouw aan de koorzijde, waarin de sacristie zat, en een verhoogde ingangspartij, onder een zadeldak. De ingangspartij was zo groot, dat er ruimte was voor een zangtribune en omdat de toegangsdeuren aan de linkerkant van de gevel zaten, bleef er ruimte over voor een trap en biechtstoelen. Wel werden enige aanpassingen gedaan. Zo werd bewust gekozen voor een maatje te kleine kerkbanken, zodat deze in de nieuwe kerk voor de kinderkapel gebruikt konden worden. In de ramen zat glas-in-lood en de dakspanten rustten op steunberen, zodat het gebouw in ieder geval solide was. Behalve het dakbeschot, dat bestond uit het resthout van de ingestorte barak. In 1949 werd de noodkerk in gebruik genomen. Momenteel is de voormalige noodkerk als sport- en fitnesscentrum in gebruik.

Huidige kerk

Linkerzijde. Foto: juni 2006

In 1946 werd in het bestemmingsplan reeds de locatie vastgelegd voor de definitieve kerk en werd architect Harry Koene aangezocht voor het ontwerp. Zijn eerste ontwerp ging nog uit van een georiënteerde kerk, maar reeds bij het tweede ontwerp werd hiervan afgezien en werd de ingang van de kerk diagonaal op het kruispunt van de wegen geplaatst. Stedenbouwkundig was dit een verbetering en bovendien kon de kerk nu op een kerkberg worden geplaatst. Aanpassingen aan de grond waren nodig vanwege mijnschade en de Staatsmijnen gaven hiervoor een bijdrage van 22.000 gulden. In 1951 werd het ontwerp voor de kerk door het kerkbestuur goedgekeurd en werd de bouw aanbesteed. De gemeente Geleen schonk de grond voor de kerk en stelde de overige bouwgrond ter beschikking voor 1,55 gulden per vierkante meter. Tevens werd een subsidie van 9.000 gulden vastgesteld, waarmee de facto de grond gratis was. Aannemer L. Tummers was de laagste inschrijver. Tevens kreeg hij de bouw van de pastorie toegewezen. Op 20 april 1950 vond de eerste steenlegging plaats door deken Fr. Custers van Schinnen. In 1953 werd het gebouw ingezegend. Pas op 23 oktober 1960 werd de kerk door Mgr. Moors geconsacreerd. Toen stond het merendeel van het kerkcomplex reeds op het terrein rondom de kerk. In totaal kwamen daar een lagere school voor jongens, één voor meisjes, een kleuterschool, een pastorie, een kapelanie, een Groene Kruisgebouw en het buurtcentrum d’Heremiet. De geplande klokkentoren werd niet gebouwd. Bij controle van de grond en in overleg met de Staatmijnen werd besloten, deze hoge op een campanile geïnspireerde toren niet te bouwen in verband met mogelijke mijnschade. Besloten werd de vieringtoren hoger te maken en boven de viering een klokkenzolder met galmgaten in te richten. In vergelijk met tekeningen in de literatuur van de eerste ontwerpen zijn verder geen wijzigingen te constateren.

Veranderingen

In 1962 werd het tabernakel van het altaar afgehaald en op een apart sacramentsaltaar tegen de achterwand van de absis geplaatst. Hierbij werd de vloer op gelijke hoogte gebracht. Mogelijk werden tegelijkertijd de communiebanken verwijderd. In 1965 werd de jongenskapel ingericht als dagkapel. De inrichting komt voor een groot gedeelte uit de oude kluiskapel. In 1977 werd de zij-ingang aan de Lijsterstraatzijde geschikt gemaakt voor rolstoelgebruikers. De communiebanken en ambones zijn inmiddels weggehaald. In 1985 werden van de vier biechtstoelen er één in de linker zijbeuk weggehaald. Daar werd met behulp van een gedeelte van de communiebank een devotiekapel ingericht voor Christus Koning. In 1987 werd wederom één van de biechtstoelen verwijderd. In de zo ontstane nis kwam een gedachteniskapel. In 2002 was de nis een Mariakapel. De zangtribune is in de jaren tachtig verbreed en naar voren uitgebreid. De rechter transeptarm is in 1999 naar een ontwerp van designer Van Leeuwen in gericht tot memoriekapel.

Exterieur

 Foto: juni 2006

De kerk is een kruisbasiliek onder een zadeldak met bakgoten op een fries. De zijbeuken staan onder een lezenaardak. De muren zijn in wild verband gemetseld en platvol gevoegd. De ingangszijde heeft een puntgevel. Centraal in de gevel staat een driepas venster, dat met drie betonnen ringen voorzien is waarin het glas-in-lood is opgenomen. Onder dit venster staat een bescheiden portaal dat met een half puntdak tegen de voorgevel leunt. In het portaal hangt de dubbele houten deur die de hoofdingang tot de kerk vormt. Aan weerszijden van het portaal zijn eveneens twee enkele deuren aangebracht. Die deuren bieden behalve toegang tot de kerk ook de mogelijk om de zangtribune en de doopkapel te bereiken. Links van de voorgevel staat de octogonale doopkapel. Deze is gedekt met een koperen naaldspits met een piron. Het dak heeft bakgoten in een muizetandfries. In de zijden, die niet aan de kerk zijn aangebouwd staan rondboogvensters met een afzaat. De gevels van de zijbeuken worden doorbroken door nagenoeg vierkante vensters met schuine neggen en afzaten. Onder de daklijst loopt een muizetandfries. Het lessenaardak is met pannen belegd. Tevens staan er twee uitbouwen voor de biechtstoelen. De daken zijn eveneens met koperen bedekking. De lichtbeuk telt aan elke zijde vier grote rondboogvensters met afzaten en schuine vensterneggen. Onder de daklijst loopt een muizetandfries. Het zadeldak is voorzien van dakpannen. In de oksel van de transeptarmen en de zijbeuken staan de zij-ingangportalen. De portalen hebben puntgevels waarachter een laag zadeldak schuilgaat. De ingang zelf is voorzien van een dubbele houten deur. De transeptarmen houden qua hoogte het midden tussen de zijbeuken en het middenschip. In de voorgevels zijn drie in elkaar overvloeiende rondvensters aangebracht. De zijgevels zijn blind en hebben als versiering enkel een muizentand fries. De transeptarmen hebben zadeldaken. De massale viering annex koortoren steekt boven het schip uit en heeft aan de transeptzijden twee rondboogvensters. Hierboven bevinden zich de lange rechthoekige galmgaten. In elk galmgat staan vier betonnen zuiltjes. Overhoeks zijn de muren boven de daklijst verhoogd. De toren is gedekt met een tentdak, gekroond met een koperen gekroonde bol met kruis. In de dakhellingen zijn de wijzerplaten gemonteerd. De absis heeft aan elke zijde een bifoor rondboogvensters dat gescheiden wordt door een zuiltje. De absis heeft een leien dak.

Interieur

 Zicht op het priesterkoor

Zicht op de zangtribune

De kerk wordt betreden via drie naast elkander gelegen portalen. Een dubbele houten deur, die in de as van middenpad en koor staat, alsmede twee enkele houten deuren geven toegang tot het kerkschip. Aan weerszijden van de middeningang staan twee keramieken wijwaterbekkens. De portalen worden geflankeerd door het trappenhuis dat naar de zangtribune leidt en de wachtruimte die toegang geeft tot de doopkapel. De achterzijde van de kerk wordt van wand tot wand ingenomen door de betonnen balken en kolommen rustende zangtribune. De zangtribune heeft een houten balustrade, die van smeedijzer is voorzien. Een rondboog opent deelt de tribune in twee stukken. Het achterste deel, onder de boog, wordt ingenomen door het orgel. Het voorste deel is de kerk in gebouwd en is bestemd voor de zangers. Rechts van de portalen ligt een vierkante kapel, waar thans een Sint-Jozefbeeld staat. Links is de achthoekige doopkapel gebouwd. Deze heeft een verlaagde vloer. De doopkapel is bereikbaar via de zijbeuk en – via een tussenruimte – een van de portalen. Beide kapellen hebben in baksteen uitgevoerde gewelven. De kerkvloeren zijn belegd met keramieken tegels. De binnenmuren zijn uitgevoerd als schoon metselwerk in wild verband. Het middenschip is van de zijbeuken gescheiden door een reeks korfbogen. De scheibogen komen voort uit kruisvormige pijlers. Deze hebben basementen noch kapitelen. De wanden van het schip zijn voorzien van rondbogige spaarvelden, die van door lisenen van elkaar gescheiden zijn. In elk spaarveld, boven de scheibogen, is een rondboogvenster aangebracht. Het plafond bestaat uit op de lisenen liggende moerbalken waartussen kepers liggen met plaatwerk. De zijbeuken hebben eveneens vlakke plafonds. Korfbogige gordelbogen compartimenteren de zijbeuken. Achter in de zijbeuken zijn keperbogige ‘kapelletjes’ uitgebouwd om biechtstoelen te herbergen. De biechtstoel ter rechterzijde is veranderd in een devotiekapelletje. Op de overgang van schip naar viering bevinden zich eveneens uitbouwen voor biechtstoelen. Die ter linkerzijde is eveneens veranderd in een devotiekapel. De overgang van schip naar viering wordt gemarkeerd door een triomfboog. Tussen de viering en de transeptarmen zijn arcades aangebracht volgens het Rijnlands altererend stelsel. Vier rondbogen die rusten op vierkante pijlers en zuilen of bundelpijlers. De zuilen en bundelpijlers zijn gebouchardeerd en gefrijnd. Zij hebben geen basementen of kapitelen maar enkel dekplaten. Muraalbogen verbinden telkens twee scheiboogjes. De helft van de viering wordt ingenomen door het priesterkoor, dat zich vijf treden verheft boven het vloerniveau van het schip. Hier staat het stenen vieringaltaar. In de absis staat het sacramentsaltaar op een drietredig supedaneum. De halfronde absis heeft een koepelgewelf. De viering is voorzien van een vlak plafond. Op de hoeken van absis en viering zijn twee kwartronde uitbouwtjes gerealiseerd, die met rondboogjes richting de viering en de absis geopend zijn. Betonnen zuilen schragen ter plaatse het muurwerk. De transeptarmen zijn oorspronkelijk op vrijwel identieke wijze uitgevoerd. De linkerarm is nog vrijwel ongewijzigd met een betonnen cassettegewelf en een ondiepe rondboognis waartegen het zijaltaar staat. Twee blokken banken zijn axiaal op dit altaar gericht. Een deur geeft toegang tot de sacristie. Dit deel van de kerk is met een gordijn van viering en schip afgescheiden en dient als dagkapel. De rechterarm is ingericht tot memoriekapel en vrijwel geheel van banken ontdaan. Het plafond is verlaagd, maar heeft wel nog een  cassettestructuur. In de kleine wit gestuukte absis staat een moderne sculptuur, met daarvoor een lager gemaakt altaar. In het midden van de ruimte staat een kleine waterpartij. Beide  transeptarmen zijn via een tochtportaal direct van buiten te betreden.

(Bron: Dr A. Jacobs en Drs. A.A. Wiekart – Kerken na 1940. Inventarisatie en waardenstelling kerkelijke bouwkunst na 1940 –Roermond – Stichting Monumentenhuis Limburg, 2003).

Orgel

In 1953 plaatste Pels (Alkmaar) in deze kerk een tweemanuaals orgel (ten dele met ouder materiaal van het orgel uit de ned.herv.kerk te Texel)

Hoofdwerk                            Zwelwerk                              Pedaal

Prestant 8’                            Prestant 8’                            Prestantbas 16’

Viola 8’                                  Salicionaal 8’                         Subbas 16’

Bourdon 8’                            Holpijp 8’                               Octaafbas 8’

Quintadeen 8’                       Prestant 4’                            Gedekt 8’

Octaaf 4’                               Fluit 4’                                   Koraalbas 4’

Roerfluit 4’                            Flageolet 2’

Quint 2 2/3’                          Sesquialter II-III

Octaaf 2’                               Hobo 8’

Mixtuur II-V

Trompet 8’

Bron: G.M.I.Quaedvlieg – Orgeldocumentatie Limburg (Stadsbibliotheek Maastricht)

Vieringaltaar, graniet, 1953. Twee stipes met daarop een mensa.

Zijaltaar, travertijn, 1953. Stipes met daarop een mensa.

Zeszijdige teerling op een ronde zuil met rond basement. Het deksel is koepelvormig met een bol en een kruis. Aan de bovenzijde van de vont staat: HERBOREN / UIT WATER / EN DE H. GEEST / ZULT GIJ / DOOR UW GELOOF / GETUIGENIS AFLEGGEN / VOOR DEN / CHRISTUS. De tekst wordt gescheiden door symbolische afbeeldingen van een bootje op de golven met op het zeil een chiroteken, een Geestesduif, olielamp met chiroteken, en chiroteken.

In de Mariakapel.

In de roosvensters in de transeptarmen en in vensters in de zijbeuken werden voorzien van drie-lagenglas. In de zijbeuken werd dit in 1978 vervangen, in de transepten en de Sint-Jozefkapel is dit nog aanwezig.

In de zijbeuken bevinden zich in zes ramen deze afbeeldingen: Samaritaanse vrouw, Schepping, Ark van Noach, Geboorte van Christus, Wonderbaarlijke broodvermenigvuldiging, Kruisiging. De ramen dienen ter vervanging van de in dat jaar teloorgegane vensters van Eugène Quanjel.

Tekst: DIE HEM RIEPEN TOT KONING / LEGDEN MIJ HIER ALS HOEKSTEEN / OM TE SCHRAGEN DEEZ’ TROONZAAL / IN LIMBURG, ZIJN KROONLEEN. / BELOKEN PASEN 20 APRIL 1952 / FR. CUSTERS DEKEN / W. WEMELING PASTOOR / ARCH. H.KOENE AANN. L. TUMMERS. Achter de steen is in een loden koker een oorkonde ingemetseld.

Eugène Laudy, keramiek,1955.

Gepatineerd brons, atelier Van der Heyden, XXc.

 
 
 
Christus Koning
Christus Koning
Christus Koning
Christus Koning
Christus Koning
Christus Koning
Christus Koning
Christus Koning
Christus Koning
Christus Koning
Christus Koning
Christus Koning
Christus Koning
Christus Koning
Christus Koning
Christus Koning
Christus Koning
Christus Koning
Christus Koning
Christus Koning
Christus Koning