HOME
ZOEKTIPS
LINKS en LITERATUUR
ORGELS
LAATSTE WIJZIGINGEN
OVER ONS
DONATIES


LAATST BIJGEWERKT OP 13-11-2018

Martelaren van Gorcum

Ga naar de site van de patroonheilige
Ga naar site van het gebouw c.q. de parochie
 
Parochie/kerkgemeente: Parochiecluster H. Hart van Jezus, H. Martelaren van Gorcum, H. Geest, H. Drievuldigheid
Dekenaat/kerkverband: Heerlen
Soort gebouw: Voormalige parochiekerk
Plaats: Heerlen
Gemeente: Heerlen
Wijk: Musschemig
 
Adres: Sittarderweg 139
Postcode: 6412 CD
Coördinaten: x: 196065, y: 323289
 
Architect(en):
 
Huidig gebruik: Gesloopt!!

Foto: Harrie Kuijpers, juli 1996

Geschiedenis

De aanleg van de eerste mijn bij Heerlen, de Oranje Nassau I, was de oorzaak, dat het landelijke dorp Heerlen zich vrij snel ging ontwikkelen tot een industrieplaats. De enige Heerlense parochiekerk, de St. Pancratius, werd toen spoedig voor het groeiend aantal parochianen te klein ¿ zelfs nadat hij in 1901 vergroot was -, want tussen 1900 en 1910 steeg de bevolking van 6312 tot 11021. Juist in de buurt van de Sittarderweg verrezen de eerste 'kolonies', in Musschemig, Grasbroek en Beersdal. De toenmalige pastoor/deken, A Brewers, deed een dringend beroep op het bisdom om hulp in de zielzorg, maar Mgr. Drehmanns zag geen kans onmiddellijk hulp te bieden. Enige jaren later, in 1909, verzocht de Roermondse bisschop hulp te bieden. Enige jaren later, in 1909, verzocht de Roermondse bisschop de provinciaal van de franciscanen, pater Vitalis Keenen, om in de buurt van Heerlen een klooster met hulpkerk te bouwen, opdat de paters als medewerkers van de seculieren de pastorale zorg voor vooral de mijnwerkers op zich zouden nemen. Dit niet geheel onverwachte verzoek werd ingewilligd. Deken Brewers was zeer ingenomen met de voorgenomen komst van de paters en hij had zelfs al een geschikt terrein voor het klooster op het oog. Dat terrein aan de Sittarderweg werd op 30 november 1909 van aannemer Jan Ubachs gekocht. Juridisch was de koop gesloten door het kerkbestuur van de St. Pancratiusparochie, maar pater provinciaal had met de deken afgesproken, dat het terrein en de bouw van het klooster met hulpkerk betaald zou worden met gelden door de Orde van Franciscanen bijeengebracht, zodat het kerkbestuur de grond en de gebouwen tegen betaling van alleen de overdrachtskosten aan de Orde zou overdragen, wanneer deze dat zou vragen. Nog dezelfde avond had de provinciaal een onderhoud met de Heerlense architect Jos Seelen, die precies een maand later de opdracht ontving tot het ontwerpen en bouwen van een eenbeukige kerk en tevens van een klooster voor circa 22 bewoners. Na heel wat besprekingen, waar pater Keenen in zijn aantekeningen van de "Stichting van het klooster te Heerlen" zeer uitvoerig over is, werd het werk op 18 april 1910 gegund aan aannemer J. Ubachs. Op het bouwterrein had Ubachs nog een ¿brikkenbakkerij¿, die volgens afspraak in het koopcontract nog enige maanden in bedrijf zou blijven totdat het terrein was afgegraven. De hier gebakken stenen werden ook gebruikt voor "binnen- en achterwerkers": de buitenstenen werden van elders betrokken. Tijdens de bouw " waarbij de provinciaal zich herhaaldelijk ergerde over de laksheid van de architect " werd te Weert het provinciaal kapittel gehouden, waarin pater Vitalis Keenen als provinciaal werd opgevolgd door pater Simon Bennebroek, die meteen zijn voorganger belastte met de verdere zorg voor de bouw van het Heerlense klooster. De deken van Heerlen nodigde daarop de "bouwheer" uit om zolang zijn intrek te nemen in zijn pastorie. Op 5 december 1910 verhuisde pater Keenen, die ondertussen benoemd was tot eerste praeses van het nieuwe klooster, van Weert naar de Heerlense pastorie. Vandaaruit hield hij toezicht op de bouw, terwijl hij als echte bedelmonnik tussen de bedrijven door het nodige bijeen probeerde te krijgen voor de bouw en de meubilering van kerk en klooster en bovendien nog als opdracht had gekregen: te zorgen voor de voorbereidende werkzaamheden voor de bouw van een nieuwe Franciscaanse H.B.S. te Heerlen. Op 4 januari 1911 was de bouw van het klooster zover gevorderd, dat hij in het deels klaargekomen gebouw zijn intrek kon nemen. Vermeldenswaardig voor die vierde januari is ook, dat op die dag een kar van aannemer Ubachs uit Weert kwam volgeladen met 'o.a. baal koffie, miswijn, grote pot boter, servetten, keukendoeken, sokken, alben, prachtige witte stola en vele andere zaken, die in een nieuw huis  uitstekend te pas komen'. Bovendien kreeg hij op die dag een huisgenoot uit Weert: een broeder die het klooster zou schilderen en witten. Op 13 januari 1911 kon deken Brewers de kloosterkerk inzegenen; de kerkconsecratie door Mgr. Drehmanns vond pas op 20 mei 1912 plaats. Na de inzegening van de kerk kwamen er geleidelijk meer paters en broeders het nieuwe klooster bewonen en kon een begin gemaakt worden met de pastorale werkzaamheden. Allereerst waren dat de diensten in de kloosterkerk met o.a. de vroege zondagsmis om 05.20 uur voor de mijnwerkers doe uit de 'Nachtschicht' kwamen, diensten ten behoeve van de vele buitenlandse arbeiders (zondags werd er afwisselend in het Duits en in het Nederlands gepreekt) en niet te vergeten de steeds drukker wordende biechtstoelen. Ook werden er "tot verdieping van de godsdienstzin en vermeerdering en behoud van het geloof onder de bevolking" verschillende godsdienstige verenigingen opgericht:De broederschap van de H. Barbara, patrones van de mijnwerkers (1911); de Maria-congregatie voor jongens (1914) en voor meisjes (1916); en in de dertiger jaren de vereniging 'Eerewacht van het H. sacrament des Altaars'. Naast deze binnenkerkelijke zielzorg trokken de paters er ook op uit voor huisbezoek in verschillende Heerlense wijken, maar ook bezochten sommigen de woningcomplexen in Voerendaal, Brunssum, Hoensbroek, Spekholzerheide, Kakert en Schinnen, waar de stichting 'Ons Limburg' van dr. Poels gebouwd had voor mijnwerkers; bovendien strekte hun arbeidersveld zich uit tot katechismuslessen op verschillende scholen, spreekbeurten voor godsdienstige en sociale verenigingen, assistenties in de naburige parochies en zielzorg onder de Nederlandse arbeiders in de gebieden over de Duitse grens, het zg. Nederlands-Duits missiewerk. Maar de kerk was een kloosterkerk en geen hulp- of parochiekerk, zodat de mensen naar hun parochiekerk moesten voor het vervullen van hun paasplicht, dopen, vormsel, huwelijk, begrafenissen enz. Wel kreeg men in de loop der jaren bisschoppelijk verlof voor bepaalde aan de parochiekerk voorbehouden pastorale bedieningen, zoals in 1921 voor dopen en eerste communie. In 1924 werd te Heerlen een nieuwe parochiekerk opgericht, de H. Hart parochie te Schandelen, waartoe ook het klooster van de paters behoorde. Op 15 februari 1935 werd de kloosterkerk officieel tot rectoraatskerk verheven; hetgeen betekende dat ze alle rechten kreeg dien een parochiekerk bezit, behalve het inzegenen van huwelijken. (dat recht verkeeg men in 1949) en dat er een kerkbestuur kwam. Op 1 februari 1966 werd de kerk - te zamen met acht andere fransicaanse rectoraten in Limburg ¿ tot parochiekerk verheven. Eind 1976 maakte het bestuur van de Nederlandse minderbroeders reeds bekend, dat men in beginsel had besloten om het klooster op te heffen. De bezetting van het huis was toen teruggelopen tot vijf man. Na veel overleg op verschillende fronten werd in 1982 de kerk en de grond onder het jeugd/parochiehuis voor de prijs van f 1,- aan het kerkbestuur overgedragen. Toen begin september 1983 de laatste fransiscanen het klooster verlieten, werd de parochie aan het bisdom teruggegeven. De toekomst van het kloostergebouw was toen nog niet zeker, afbreken of tot woonunits verbouwen.

Bron:

Inventaris van de archieven van de RK Parochie H.H. Martelaren van Gorkum te Heerlen, 1911 – 1982.

Interieur

Interieur. Bron Rijckheyt, centrum voor Regionale Geschiedenis

Martelaren van Gorcum
Martelaren van Gorcum
Martelaren van Gorcum
Martelaren van Gorcum
Martelaren van Gorcum