HOME
ZOEKTIPS
LINKS en LITERATUUR
ORGELS
LAATSTE WIJZIGINGEN
OVER ONS
DONATIES


LAATST BIJGEWERKT OP 24-02-2017

Laurentius

Ga naar de site van de patroonheilige
 
Parochie/kerkgemeente: H. Laurentius
Dekenaat/kerkverband: Roermond
Soort gebouw: Parochiekerk
Plaats: Maasniel
Gemeente: Roermond
 
Adres: Raadhuisstraat 19
Postcode: 6042 JK
 
Kadastrale gegevens: Maasniel C 1972
Bouwpastoor/bouwpredikant: L. Obers
 
Architect(en):
 
Kunstenaar(s):
 
Huidig gebruik: R.K. Kerk

Op een tombe ligt een mensa. Aan weerszijden van de tombe staan twee stipes met een teerlingkapiteel. Centraal tegen de tombe staat een haut-reliëf met een afbeelding met centraal Christus, geflankeerd door twee apostelen, daarmee de Emmausgangers verbeeldend. De communiebanken werden in dezelfde stijl door Cox ontworpen en uitgevoerd. De tabernakel is van het altaar afgehaald en het altaar wordt als vieringaltaar gebruikt.

Op een octogonale, zich verjongende schacht staat een octogonale cuppa, gedekt met een klein koperen octogonaal deksel. De vont staat in het noordertransept.

Tekst: fUrore beLLICo eLaLo Con CussoqUe InColae hUIUs LoCI Me reposUerUnt In annI sanCtI JUbILatIone

Meer foto's ››

Foto: augustus 2008

Ruimtelijke context

 

De Laurentiuskerk ligt in de oude kern van het dorp Maasniel, dat sedert 1959 deel uitmaakt van de gemeente Roermond en inmiddels in de bebouwing van deze stad is opgenomen. Rondom de kerk liggen nog diverse panden uit de voorbije eeuwen, zodat er sprake is van een organisch gegroeide omgeving waarbij het dorpse karakter behouden gebleven is. De klokken- en de vieringtoren steken een behoorlijk stuk boven de omliggende bebouwing uit en markeren het kerkgebouw. De kerk ligt op een natuurlijke verhoging, waardoor men aan de voorzijde een trap moet bestijgen om de hoofdingang in de klokkentoren te bereiken. Rond de kerk zijn plantsoenen aangebracht.

Type

De Laurentiuskerk is een georiënteerde kruisbasiliek met een grote vieringtoren en een fronttoren. De bakstenen kerk is hoofdzakelijk uitgevoerd met spitsbogen. Het centrale bankenplan heeft tussen de bankenblokken een centraal middenpad.

Bouwgeschiedenis

Voorgangsters

De kerk van Maasniel vóór 1945. Foto: collectie Paul Cox

Maasniel werd al in 943 genoemd als één van de 65 hoeven die door bisschop Balderik aan zijn schoonzuster in leen werden gegeven. De eerste vermelding van een parochie in Maasniel volgde in 1298, toen pastoor Theodoricus werd aangesteld. Bij de opgravingen in 1949 zijn de restanten uit deze periode van een zaalkerkje met een fundering van maaskeien en zuilbasementen van mergel gevonden. Deze zaalkerk werd in de loop van haar bestaan in oostelijke richting uitgebreid. In de derde fase van de bouwnijverheid is een toren van maaskeien gebouwd aan de westzijde, gedeeltelijk nog in de kerk. Tenslotte werd een zuidelijke beuk aan de kerk gebouwd. In de kerk zijn de fundamenten gevonden van een altaar en van een preekstoel of mogelijk een sacramentshuis. Vreemd genoeg was Maasniel in 1485 een rectoraat. Omstreeks 1775 werd een nieuwe kerk gebouwd, nadat de oude was verwoest. Bij de eerder genoemde opgravingen werden van dit gebouw de fundamenten gevonden van een eenbeukige kerk met absis en met een toren aan de westzijde. De fundamenten bestonden uit baksteen en volgen de lijnen van de eerste fundamenten grotendeels langs de buitenkant. De bouwers waren ditmaal de Karthuizers van Roermond. De kerk was aan dit klooster tiendplichtig en de Karthuizers waren daardoor onderhoudsplichtig. In 1880 werd een neogotische, driebeukige kerk met een uitgebouwd priesterkoor, een ontwerp van C. Weber, gebouwd. De toren uit 1775 bleef op dezelfde plaats gehandhaafd, maar werd aan de voorzijde van een neogotische uitmonstering voorzien. Opvallend is, dat de fundamenten der pilaren van de scheibogen op de fundamenten van de steunberen van de kerk uit 1775 zijn geplaatst, en ook de travee-indeling van de oude kerk in de neogotische kerk werd gehandhaafd. Het schip van de nieuwe kerk was derhalve net zo breed als de gehele oude kerk. Rond 1880 werd de kerk een bedevaartoord voor O.L. Vrouw van Altijddurende Bijstand. In januari 1945 werd het priesterkoor zeer zwaar beschadigd door artilleriebeschietingen door de Engelsen en op 28 februari 1945 werd de toren door de terugtrekkende Duitsers opgeblazen. De toren viel op het middenschip en verwoestte de kerk volledig.

Huidige kerk

De resten werden vrijwel direct gesloopt. Tot de nieuwe kerk klaar was werd gebruik gemaakt van de fabriekshal van de bakovenfabrikant Becker, die was ingericht als noodkerk. Dit zou zes en een half jaar duren. Jos Franssen, die wel een plan voor een noodkerk wilde maken, werd in 1947 tot architect benoemd  en in 1949  werd zijnontwerp goedgekeurd. De bouw werd uitgevoerd door de aannemer Smeets-Verhaegh uit Roermond. De eerste steen werd gelegd door deken Rhoen op 23 juli 1950. Hij verrichtte ook de inzegening op 6 oktober 1951. Het ontwerp werd enige jaren later als inspiratie gebruikt voor de kerk in Melick. De toren was niet volledig gebouwd wegens geldgebrek, maar hield op bij de dakrand. In 1954 kwam van mgr. Lemmens de aanbeveling de toren te gaan bouwen. In 1955 was de toren naar de oude tekeningen van Franssen gerealiseerd door aannemer Gebr. Franssen te Maasniel. In 1992 werd Limburg getroffen door een aardbeving van 5,5 op de schaal van Richter. De kerk werd zwaar getroffen, maar de toren bleef staan, ondanks grote schade aan onder meer de dragende boog onder de toren, in de ruimte waar ook het orgel staat. De gewelven van de zesde travee stortten grotendeels in. Architectenbureau Satijn nam de restauratie op zich. De bouwwerkzaamheden werden verricht door Strauss van Mierlo en vergden een jaar, waarbij geen wijzigingen zijn aangebracht aan het gebouw. Als noodkerk functioneerde gedurende die tijd een partytent naast de kerk.

Veranderingen

In 1993 werd voor de voormalige doopkapel een beeld van de H. Familie besteld. Mogelijk was de doopvont toen al weg. Het noordertransept werd in 1998 ingericht tot doopkapel door de banken te verplaatsen. Het zuidertransept was toen al ingericht tot dagkapel door de communiebanken te gebruiken voor de bouw van een viering altaar. Tevens werd hier een tweede tabernakel geplaatst.

Exterieur

 Foto: augustus 2008

De bakstenen kerk is gedekt met zadeldaken, de zijbeuken met lezenaardaken, die op hun beurt zijn bedekt met leien. De bakgoten liggen verscholen achter geprofileerd zandstenen lijsten, die rusten op mergelstenen gootklossen. Op het zadeldak van het schip zijn aan elke zijde twee dakkapellen gebouwd. De muren zijn opgetrokken in kruisverband en zijn platvol gevoegd. Aan de westzijde staat een vierkante fronttoren met een achtzijdige lantaarn, die zonder overgang op de onderste geleding staat. De lantaarn fungeert als klokkenverdieping en heeft twee rondbogige galmgaten aan elke zijde. De toren eindigt in een achtzijdig tentdak, dat bekroond wordt door een kruis en weerhaan. Net onder de lantaarn is een klok met wijzerplaat aangebracht. De toren heeft aan de voorzijde een rondbogige ingang. In de lichtbeuk van het middenschip zijn in mergel uitgevoerde getraceerde, gedrukte spitsboogvensters aangebracht. De vensters liggen tussen steunberen die zich naar boven toe verjongen. De steunberen zijn afgedekt met leien. De zijbeuken hebben dezelfde gevelindeling. Enkel zijn de spitsboogvensters alhier voorzien van traceringen uitgevoerd in baksteen. De zijbeuken hebben lessenaardaken. De transeptarmen hebben een puntgevel met vlechtwerk, waarin een roosvenster is aangebracht met in mergelen traceringen. De zijgevelopbouw van de transeptarmen is identiek aan die van de zijbeuken. De vieringtoren is aan de westzijde blind. De andere drie zijden zijn elk voorzien van een getraceerd spitsboogvenster. De daklijst is voorzien van een rondboogfries. De vieringtoren heeft een met leien gedekt tentdak. Aan de oostzijde van de vieringtoren bevindt zich een uitbouw (de sacristie) met zadeldak en een schoorsteen op de topgevel met vlechtwerk. De gevelopbouw van de sacristie is gelijk aan die van de zijbeuken.

Interieur

Zicht op het priesterkoor

Zicht op de zangtribune

De hoofdingang ligt onder de toren. Het portaal is een kubusvormige ruimte, die voorzien is van een houten plafond, bestaande uit moer- en kinderbalken gelegen op stenen sleutelstukken. Links van de ingang geeft een deur toegang tot de voormalige doopkapel, die thans in gebruik is als devotiekapel waarin een houten beeld staat van de H. Familie. De voormalige doopkapel bestaat uit twee ruimtes, die door een segmentboog met elkaar in verbinding staan. De eerste was bestemd als wachtruimte voor de familieleden van de dopeling. De tweede ruimte is te betreden via de linkerzijbeuk en ligt drie treden lager dan de vloeren van de eerste ruimte en het schip. De doopvont is niet meer aanwezig, maar staat momenteel in de zuidertranseptarm. De doopkapel is overkluisd met bakstenen kruisgewelven. Vanuit de toren leidt een betonnen spiltrap naar de orgelruimte met de zangtribune en de hoger gelegen delen van de toren en de kerkzolder. Het orgels staat onder een spitsboog die een verbinding vormt tussen toren en middenschip. Tegen de toren staat de zangtribune die met een arcade van vijf rondbogen gescheiden is van het middenschip. De balustrade van de zangtribune is vervaardigd uit smeedwerk. Tussen het middenschip en de zijbeuken staan spitsbogige scheibogen. Alle muren, bogen en gewelven zijn uitgevoerd in schoon metselwerk in staand verband. De zes traveeën worden van elkaar  gescheiden door vanaf het zandstenen kapiteel oplopende gordelbogen. Het schip is overkluisd met bakstenen netgewelven van IJsselstenen. De scheibogen en gordelbogen rusten op pijlers. Op de overgang van het schip en de viering bevindt zich een triomfboog, die de koorruimte markeert. Links en rechts van de triomfboog staan ambones. Het muurwerk achter de ambones is met een spitsboog doorbroken. Reeds in het schip begint de verhoging van de vloer van het priesterkoor met drie treden, onder de triomfboog nogmaals verhoogd met twee treden. De zijbeuken zijn niet meer dan smalle processiegangen. Hier bevinden zich in elk van beide zijbeuken een ingebouwde biechtstoel. Het voorfront van deze is vervaardigd van eikenhout. Drie paneeldeuren sluiten de stoel af. De onderste twee panelen van de deuren zijn uitgevoerd in hout, daarboven bevinden zich vier panelen met glas-in-lood. Ofschoon de biechtstoelen thans fungeren als opslagruimte, zijn zij wel nog in hun originele staat. Elke stoel is voorzien van een nog steeds werkende ‘biechtbel’. De zijbeuken verbreden zich bij de overgang naar het transept. Het transept bestaat uit twee identieke armen zonder zijbeuken. Het zuidertransept fungeert mede als dagkapel. Het noordertransept is in gebruik als doopkapel. Twee spitsbogen verbinden het priesterkoor, dat zich onder de vieringtoren bevindt, met de transeptarmen. Deze bogen zijn lager dan de triomfboog tussen koor en middenschip. Trappen geven vanuit het transept toegang tot de altaarruimte. In elke transeptarm is een biechtstoel aangebracht, die dezelfde uitvoering heeft als boven beschreven. Het transept is eveneens overkluisd met netgewelven. De vieringtoren fungeert als altaarruimte. Aan de voet hiervan staan aan de zijde van het schip en het noordertransept nog de oude uit hardsteen gehouwen communiebanken. Aan de zuidzijde is de communiebank vervangen door een bijaltaar, aangezien deze transeptarm ook fungeert als dagkapel. Onder de vensters bevinden zich telkens drie nissen. De viering is overkluisd met een kruisgewelf. Het vieringaltaar staat centraal in de viering, de tabernakel tegen de achterwand van de vieringtoren op een supedaneum. De altaarruimte onderscheidt zich van de rest van de kerk door de natuurstenen tegels die een lichtere kleur hebben (en van een ander materiaal zijn) dan de natuurstenen tegels die in de rest van de kerk zijn aangebracht. Rechts van de toren staat tegen de zijbeuk aldaar de Mariakapel, waarin de eertijds hoogvereerde icoon van O.L. Vrouw van Altijddurende Bijstand is ondergebracht. De kapel is vijfzijdig en heeft een bakstenen gewelf. De vijf spitsboogvensters zijn voorzien van gebrandschilderde ramen. De verbinding tussen de kapel en de rest van de kerk wordt gevormd door een spitsboog die door een siersmeedijzeren hekwerk is afgesloten. De icoon staat in een geprofileerd zandstenen lijst op een altaar, waarvan de stipes uit baksteen is opgetrokken, de mensa evenwel van natuursteen vervaardigd is. Het altaar staat tegen de achterwand van de kapel. De banken in het schip staan op het priesterkoor gericht in een axiale opstelling. In het zuidertransept staan de banken eveneens in hun oorspronkelijke opstelling, maar niet met het doel een centrale opstelling te creëren. In het noordertransept zijn de banken verplaatst, deze staan om de in het midden van het transept geplaatste doopvont gegroepeerd.

(Bron: Dr A. Jacobs en Drs. A.A. Wiekart – Kerken na 1940. Inventarisatie en waardenstelling kerkelijke bouwkunst na 1940 –Roermond – Stichting Monumentenhuis Limburg, 2003).

Orgel

Deze kerk beschikte reeds vroeg over een orgel; in 1681 was een zekere Frick er werkzaam en blijkens de dispositie-verzameling van Broekhuyzen (medio 19e eeuw) bevond er zich “een werk van oude datum”, dat uitgebreid was door Louvigny (Roermond); van het in 1932 door Gebr.Vermeulen (Weert) geplaatste tweemanuaals orgel bleven blijkens van Rijswijck “alleen de blaasbalg en motor” over; het in 1946/1951 door genoemde firma geplaatste nieuwe orgel ging in 1993 (aardbeving) verloren.

 

-          geen gegevens voorhanden over een eventueel nieuw orgel –

Bron: G.M.I.Quaedvlieg – Orgeldocumentatie Limburg (Stadsbibliotheek Maastricht)

Op een tombe ligt een mensa. Aan weerszijden van de tombe staan twee stipes met een teerlingkapiteel. Centraal tegen de tombe staat een haut-reliëf met een afbeelding met centraal Christus, geflankeerd door twee apostelen, daarmee de Emmausgangers verbeeldend. De communiebanken werden in dezelfde stijl door Cox ontworpen en uitgevoerd. De tabernakel is van het altaar afgehaald en het altaar wordt als vieringaltaar gebruikt.

Op een octogonale, zich verjongende schacht staat een octogonale cuppa, gedekt met een klein koperen octogonaal deksel. De vont staat in het noordertransept.

Tekst: fUrore beLLICo eLaLo Con CussoqUe InColae hUIUs LoCI Me reposUerUnt In annI sanCtI JUbILatIone

Tekst: CIcatrICIbUs terrae MotUs / CuratIs Deo gregIque / s.LaUrentII noVo serVIo.

Afgebeeld zijn achtereenvolgens: Annunciatie, Visitatie, Geboorte, Maria Hemelvaart, Kroning. In de Mariakapel.

Van links naar rechts: Sterfbed van Jozef(?); Vlucht naar Egypte; Jezus als kind bij spinnende Maria; Jezus als kind in de werkplaats bij Jozef. In de zwikken is links een duif en rechts een ster afgebeeld. Transeptarm zuid. Als verbindend thema wordt de H. Familie afgebeeld, waarin deels apocriefe verhalen zijn verbeeld.

In de muren van het schip is de statie ingemetseld. In 1960 werd een prijsvraag uitgeschreven voor de statie en deze werd gewonnen door Killaars. Vervolgens kreeg hij de opdracht tot uitvoering van zijn ontwerp.

Tabernakel, messing, XXB. Een cilindrisch tabernakel wordt aan vier zijde geflankeerd door dubbele pilaren, die een gedrukte halve bol dragen met een kroon. Op de deuren staan een vis, een Alpha en Omega en een monogram ATAE. De tabernakel staat op een zwarte natuurstenen sokkel op het presbyterium.

Tabernakel, messing, XXB. Rechthoekige kast met een geprofileerde plint en fries, gedekt met een polygonaal tentdak, gekroond met een gesloten kroon. Op de deuren staat een naar rechts gewend hert, dat drinkt uit water aan de onderzijde van de afbeelding. Deze tabernakel staat in het zuidertransept (dagkapel) op een zwarte natuurstenen sokkel. Eertijds stond dit tabernakel op het hoogaltaar.

Uit een voormalige communiebank werd een altaar vervaardigd op vier stipes met een nieuwe en gesloten mensa. Het altaar staat in het zuidertransept, die functioneert als dagkapel.

 
Laurentius
Laurentius
Laurentius
Laurentius
Laurentius
Laurentius
Laurentius
Laurentius
Laurentius
Laurentius
Laurentius
Laurentius
Laurentius
Laurentius
Laurentius
Laurentius
Laurentius
Laurentius
Laurentius