HOME
ZOEKTIPS
LINKS en LITERATUUR
ORGELS
LAATSTE WIJZIGINGEN
OVER ONS
DONATIES


LAATST BIJGEWERKT OP 23-04-2017

Klooster Liefdezusters van het Kostbaar Bloed (Voormalig)

 
Soort gebouw: Voormalig klooster met kloosterkapel
Plaats: Koningsbosch
Gemeente: Echt-Susteren
 
Adres: Kerkstraat 119
Postcode: 6104 AB
Coördinaten: x: 195049, y: 340634
 
Rijksmonumentennummer: 525539 , 525540 en 525541
Kadastrale gegevens: Echt P/488
 
Huidig gebruik: In mei 2006 stond het klooster leeg

Foto: mei 2006

Redengevende omschrijving Rijksdienst voor de Monumentenzorg

Inleiding.

Het KLOOSTER van de Liefdeszusters van het Kostbaar Bloed is in fasen gebouwd tussen 1874 en 1912. Het oudste gedeelte betreft een klein H-vormig gebouw dat in 1876 werd vergroot met een kapel. Het kenmerkte zich door een Ambachtelijk-traditionele bouwtrant met Neo-Gotische en Neo-Romaanse elementen en is nog herkenbaar in het oostelijk deel van het zuidpand en in het oostpand (Annavleugel). Een sobere Neo-Renaissance stijl is toegepast voor het vermoedelijk in één fase omstreeks 1896 opgetrokken noordpand (Mariavleugel). Omstreeks 1896-1900 werden de huidige kapel (westelijk pand) en een nieuw entreegebouw (zuidpand) gebouwd, die zich kenmerken door een rijke Neo-Gotische vormentaal. De laatste grote bouwfase rond 1912 betrof de uitbreiding van het oostpand.  Het klooster bevindt zich in uitzonderlijke gave staat, hoewel het gebouw in-  en uitwendig in de tweede helft van de twintigste eeuw enkele malen op  onderdelen is gewijzigd. De kapel heeft bij vertrek van de zusters in 1995 de  inventaris grotendeels verloren. In 1982 is een schoolvleugel in de  zuidoostelijke hoek van het gebouw afgebroken en de vrijkomende gevel gedicht  met afkomend materiaal.

Omschrijving.

Foto: mei 2006

Het klooster bestaat uit vier vleugels die een rechthoekige binnenplaats omsluiten. De panden zijn grotendeels drie bouwlagen hoog, voorzien van souterrain en kapverdieping. Binnen het klooster zijn duidelijk de verschillende bouwfasen te onderscheiden. Het oost- en noordpand vormen een hoog, aaneengesloten geheel, het west en zuidpand zijn onregelmatiger van opbouw. De volumes worden in hoofdzaak afgesloten door elkaar snijdende zadeldaken belegd met rechthoekige leien en rensleien in Maasdekking. De afwatering vindt plaats via geprofileerde bakgoten op een gemetselde tandlijst. Alle vleugels zijn opgetrokken in baksteen in kruisverband, met per bouwfase verschillende baksteensoort, gevelindeling en venstertypen.  Het zuidpand telt twee bouwlagen en een zolderverdieping en bevat links het opvallende entreevolume uit ca. 1900 dat wordt gedekt door een samenstelsel van schilddak en aangekapte zadeldaken over de topgevels die de drie risalieten in de voorgevel bekronen. In het voorschild bevinden zich evenals in de twee zijschilden laag in het dakvlak geplaatste dakkapellen. De gevels hebben een omlopende uitgemetselde plint afgesloten met een hardsteen waterlijst en voorzien van kelderlichten met een gebiljoende hardsteen omlijsting. De gevels worden geleed door speklagen ter hoogte van wisseldorpels en bovendorpels en een doorlopende hardstenen waterlijst onder de vensters. De symmetrische voorgevel heeft een regelmatige indeling met hardsteen kruisvensters gevuld met houten vensters. De vensters bevinden zich binnen in rode vormsteen uitgevoerde spitsboogomlijstingen met driepassen en siermetselwerk in de boogtrommels. In het middenrisaliet bevindt zich in een vergelijkbare omlijsting gevatte hoofdentree onder een forse, bewerkte houten luifel. Naar de dubbele houten deuren voorzien van siergehengen leiden hardsteen stoeptreden. De middenrisaliet wordt afgesloten met een tuitgevel waarin een spitboogvenster met neogotische hardsteen tracering en twee rechthoekige houten vensters. Hierboven bevindt zich op console en onder baldakijn een heiligenbeeld. De tuitgevels waarmee de zijrisalieten worden bekroond zijn voorzien van klimmende boogfriezen gevuld met rechthoekige houten venstertjes. Op de rechter tuitgevel is de oorspronkelijke hardstenen kruisbloem bewaard gebleven. De linker zijgevel bevat links in de eerste en tweede bouwlaag een gekoppeld spitsboogvenster met glas-in-lood. Rechts in de tweede bouwlaag een rechthoekig zesruits venster onder rondboog. In de achtergevel bevindt zich een achteringang in het rechter geveldeel naast de aansluiting van de kapel. Deze segmentboogvormig afgesloten entree heeft dubbele houten deuren. Rechts van deze deur en op de verdieping bevinden zich enkele gekoppelde spitsboogvensters zoals voornoemd. Tegen de achtergevel ter hoogte van de binnenhof bevindt zich een risaliet onder schilddak met rijke smeedijzeren sierbekroningen op elk nokuiteinde. In de uitbouw rechts in elke bouwlaag kleine getoogde T-vensters en links in elke bouwlaag vier smalle getoogde (toilet)venstertjes.  Rechts van het entreegebouw een terugliggend volume behorend tot de bouwfase  van 1874. Dit volume is afgedekt met een zadeldak en wordt in het midden  benadrukt door een licht risalerende partij met een vermoedelijk later  gewijzigde topgevel. In deze risaliet een ingangsportiek met bepleisterd  kruisribgewelf, dubbele houten paneeldeuren met gietijzeren deurkloppers, een  geprofileerd hardstenen deurkalf en een spitsboogvormig bovenlicht met houten  vorktracering waarin glas-in-lood in visblaasmotieven. De gevel bevat houten  kruisvensters met stolpramen onder en een extra tussenstijl in de bovenramen.  De vensters zijn licht segmentboogvormig afgesloten en aan de onderzijde  voorzien van hardstenen lekdorpels. De gevel wordt afgesloten met een  gemetseld boogfries. Rechts vooruitspringend de drie bouwlagen hoge in 1982  vrijgekomen en dichtgemetselde nieuwe eindgevel van de oostvleugel.  Het oostpand wordt door een zadeldak gedekt dat links eindigt met een  schildeind en rechts het dak van het noordpand snijdt. Het pand bestaat uit  een sober geveldeel links dat in 1912 verhoogd is. Rechts in deze partij  bevinden zich vijf steunberen als overblijfsel van de hier aanwezige kapel uit  1876. De steunberen zijn anderhalve bouwlaag hoog en hebben een versnijding  ter hoogte van de eerste bouwlaag. De twee vensterassen brede traveeën worden  gescheiden door smalle lisenen en in het dakschild benadrukt door topgeveltjes  met schouderstukken. Op de overgang tussen eerste en tweede bouwlaag bevindt  zich een in siermetselwerk uitgevoerde cordonlijst voorzien van kruismotieven.  In de eerste bouwlaag segmentboogvormig afgesloten vensters, in de tweede  bouwlaag vierruits vensters onder latei en spitsboog, in de derde bouwlaag  hoge vensters onder spitsboog. Rechts een uitgebouwd trappenhuis van vier  bouwlagen onder sterk hellend schilddak bekroond met pironnen, waarin  gekoppelde blinde lancetbogen voorzien van rechthoekige (toilet)venstertjes.  Tussen het trappenhuis en de met een trapgevel bekroonde kopgevel van het  noordpand bevinden zich drie venstersassen met kruisvensters onder  spitsboogtrommels voorzien van metselwerk in sierverband vergelijkbaar met de  vensters in het noordpand. De kopgevel van het noordpand heeft in het midden een uitgemetseld rookkanaal. Aan weerszijden vensters zoals voornoemd en in de top klimmende lancetvensters.  De achtergevel van het oostpand aan de binnenhof heeft links een drie  vensterassen tellende regelmatig ingedeelde partij uit 1912 die is  gedetailleerd zoals de achtergevel van het noordpand. In de derde as van  rechts een segmentboogvormige dubbele strokendeur met zware smeedijzeren  gehengen en een spitsboogvormig bovenlicht gescheiden door een gemetseld  deurkalf. Naar de verhoogde deur leidt een trap. Rechts hiervan een  gevelindeling zoals in de voorgevel van het oostpand, met een topgevel en  steunberen. Voorts een trappenhuis onder schilddak met sierbekroning.  Het noordpand wordt afgesloten door een zadeldak tussen trapgevels dat een  reeks dakkapellen bevat. Links in het achterschild een hoge gemetselde  schoorsteen. In het midden van het noordelijk dakschild een door de gootlijst  stekende topgevel onder zadeldak met hijsbalk, dubbele veelruits laaddeuren en  een ijzeren balkon. De noordgevel telt vijftien vensterassen. In de kelderlaag  rechthoekige kelderlichten met in de vierde as van links een kelderingang met  houten deur. Daarboven in elke bouwlaag houten kruiskozijnen onder spitsbogen  met metselwerkvulling in wisselend sierverband. De vensters van de drie  bouwlagen rusten op doorlopende hardstenen waterlijsten. De symmetrisch  ingedeelde achtergevel van het noordpand aan de binnenhof telt zes  vensterassen. In de plint, die is afgesloten met een waterlijst in rode  profielsteen bevinden zich vijf kelderlichten zoals in de voorgevel. In de  tweede as van rechts een kelderingang met dubbele houten deuren voorzien van  forse gehengen, een hardstenen trap en aan weerszijden van het trapgat een  oorspronkelijke smeedijzeren balustrade. In elke bouwlaag bevinden zich zes  houten kruisvensters onder spitsbogen met sobere boogvulling. Het westpand omvat in het zuiden de kapel uit 1896 met langs de westflank een eenlaags kloostergang onder lessenaardak. Over het schip een zadeldak met een geknikt flauw hellend oostelijk zijschild over de twee bouwlagen tellende oostelijke zijbeuk. Op de nok bevindt zich aan de zuidzijde een achtzijdige dakruiter, met open klokkenstoel voorzien van wimbergen met driepasmotieven en bekroond door een spits met siernaald en haantje. Het zuidelijk nokuiteinde heeft een pinakel. De dakschilden bevatten gelijkvormige dakkapelletjes bekroond door zinken pironnen. De gevels van de kapel worden gekenmerkt door de toepassing van rode en roodbruin geglazuurde vormsteen onder meer rond en in vensteropeningen, en als omlijsting en afdekking van steunberen. De gevels van de kapel worden geleed door steunberen, waartussen zich grote spitsboogvensters met maaswerk bevinden. In de westelijke kloostergang gekoppelde spitsboogvensters tussen steunberen in elke travee. Het noordelijke volume van het westpand heeft aan de westzijde drie uitspringende volumes waarvan het hoge middelste volume met een eigen schilddak wordt gedekt. Deze uitbouw bevat een trappenhuis en heeft bij gevolg een afwijkende gevelindeling. Het trappenhuis wordt met een serie blinde rondboognissen afgesloten. Links een drie bouwlagen en souterrain tellende aanbouw onder lessenaardak tegen de eindgevel van de noordvleugel. De trapgevel boven deze uitbouw is versierd met sobere klimmende boogfriezen. In het midden is een rookkanaal opgenomen die uitkomt in de top. In de uitbouw kelderlichten, en rechthoekige vensters in drie bouwlagen onder spitsbogen en segmentbogen (derde bouwlaag) op doorlopende waterlijsten. De lage uitbouw rechts heeft een aangekapt schilddak. Aan de binnenhofzijde heeft het westpand ter hoogte van de kapel een regelmatige gevelindeling van zeven traveeën tussen steunberen, met in de eerste bouwlaag boven de plint tweelingvensters, een tussenverdieping met zelfstandige lancetvenstertjes, een derde bouwlaag met brede spitsbogen voorzien van een drielicht-tracering. De laatste travee heeft een afwijkende opstand met in de eerste bouwlaag een entree. De achtergevel van het rechter deel ligt terug ten opzichte van de kapel en heeft een indeling zoals de achtergevel van het noordpand. 

Kloostergang. Foto: Leon Glorius

Het interieur van het klooster heeft het karakter van omstreeks 1912  grotendeels behouden. De hoofdopzet wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van  een kruisgang langs de binnenhof in het oostpand en het noordpand en in een  gedeelte van het west- en het zuidpand. Aan deze gang bevinden zich enkele  trappartijen, aan de buitenzijde vertrekken waaronder voormalige leslokalen.  De kapel ligt in dezelfde as als de entree van het hoofdgebouw en is voorzien  van een eigen, in dezelfde stijl uitgevoerde kruisgang afgesloten met  graatgewelven. Het schip van de kapel heeft een afdekking met kruisgewelven op  ronde zuilen met bladkapitelen en schei- en gordelbogen uitgevoerd in  (geglazuurde) vormsteen. De oostelijke opstand is driedelig met een open  galerij en een blind triforium waarachter een zusterkapel. In dit rijke en in  hoge mate gaaf bewaarde interieur uit de periode 1874-1912 zijn voorts onder  meer van belang de paneeldeuren met bijbehorende kozijnen die nog bijna overal aanwezig zijn, diverse trappartijen die voorkomen in alle vleugels met respectievelijk houten (vroege bouwfase) en smeedijzeren leuningen, en voorzien van kenmerkende bogen op zuilen met bladkapitelen. De toepassing van geglazuurde en deels geprofileerde baksteen in deur- en raamomlijstingen in de kapel, de kruisgang en het entreegebouw uit 1896-1900, keramische en natuurstenen vloertegels in de kruisgangen en in de dienstruimten in de kelder, de interieurafwerking van de toiletten, pianokamertjes (noordpand), de leslokalen met grote deuropeningen in de deelmuren (oostpand) en de houten chambrettes die nog aanwezig zijn in de slaapzalen in het oost- en noordpand.

Waardering.

Het klooster is van algemeen, cultuurhistorisch en architectuurhistorisch belang als hoofdonderdeel van het kloostercomplex van de Zusters van het Kostbaar Bloed.  Het klooster heeft typologische waarde als herkenbaar voorbeeld van een groot  klooster van een onderwijscongregatie met pensionaat uit omstreeks 1900.  Het klooster bezit architectuurhistorische waarde vanwege esthetische  kwaliteiten die onder meer tot uitdrukking komen in het materiaalgebruik van  de kapel en het entreegebouw en in het bijzonder gaaf bewaarde interieur. Het  klooster is voorts van waarde vanwege de binnen het gebouw te onderscheiden  bouwstijlen, die kenmerkend zijn voor kloostergebouwen tussen 1874 en 1912 en  als belangrijk werk binnen het oeuvre van de architect Johannes Kayser. Het klooster heeft situeringswaarde vanwege de ligging aan de entree van het dorp Koningsbosch, waar het door grootte en uitstraling een belangrijke beeldbepalende rol speelt.

Kapel. Foto: Sander van Daal, 2007

Interieur kapel

Zicht op het priesterkoor. Foto: Sander van Daal, 2007

Zicht op de zangtribune. Foto: Sander van Daal, 2007

De neogotische kapel heeft ribgewelven. Aan de linkerzijde zijn de vlakken in de traveeën van schilderingen voorzien. Aan de rechterzijde is een zijbeuk aangebracht.

Tuin bij het klooster (nummer 525540)

Inleiding,

TUIN achter en behorende tot het klooster van de Liefdezusters van het Kostbaar Bloed, bestaande uit enkele deeltuinen en een in de jaren zestig van de twintigste eeuw vernieuwde kloosterbegraafplaats. Opvallend is de grootte van de moestuin die samenhangt met de voedselvoorziening ten behoeve van de pensionaatsleerlingen.  De tuin is in hoofdzaak aangelegd tussen 1874 en 1912 en wordt grotendeels  door een bakstenen MUUR uit 1898-1899 omgeven.

Omschrijving.

De tuin beslaat een ongeveer rechthoekig perceel ten noorden van het kloostergebouw en het westelijke parkeerterrein. De tuin wordt aan weerzijden door een bakstenen muur omgeven, die ook langs de oostzijde van het klooster loopt. De tuin is in te delen in een zuidwestelijk gedeelte in een eenvoudige Landschapsstijl, dat aan de noordzijde uitloopt in een bosperceel met thans jonge aanplant van dennen. De deeltuin in Landschapsstijl kenmerkt zich door een parkachtige aanleg met slingerend padenstelsel, waarbinnen lobvormige perken met beplanting van onder meer loofbomen en lagere struiken en heesters. Aan een van de paden bevindt zich de Lourdesgrot.  Aan de oostzijde van het park en het bosperceel strekt zich een ruim gazon  uit, dat door een in de jaren zestig van de twintigste eeuw vernieuwde zusterbegraafplaats wordt gescheiden van de aan de noordzijde gelegen voormalige moestuin. De rechthoekige zusterbegraafplaats is omhaagd en heeft in de oostelijke afscheiding een toegang gemarkeerd door bakstenen pijlers uit de late negentiende of vroege twintigste eeuw.  De ommuurde moestuin beslaat een royaal, rechthoekig terrein. De tuin is  vrijwel volledig omgeven door een in baksteen uitgevoerde muur, met openingen  aan de Prinsenbaan en aan de zijde van de kloostertuin. De moestuin bezit resten van beplanting zoals een boomgaard. De muur is op alle plaatsen ongeveer twee meter hoog en gemetseld in donkerrode handgevormde baksteen in kruisverband. De muur bestaat uit uitspringende pijlers die worden bekroond door getrapte piramidale afdekkingen. De muurdelen tussen deze pijlers zijn afgedekt met gemetselde ezelsruggen. Hier en daar helt de muur over.

Waardering.

De TUIN met MUUR van het zusterklooster van Koningsbosch vertegenwoordigt algemeen belang en is van cultuurhistorische waarde als functioneel onderdeel  van het kloostercomplex en tevens als een bijzondere uitdrukking van een  agrarische en tuinhistorische ontwikkeling. Een omvangrijke moestuin is een  herkenbaar element bij grote kloostercomplexen.  De tuin heeft ensemblewaarden als structurerend en beeldbepalend  landschappelijk element op de rand van de bebouwde kom van Koningsbosch.  De tuin bezit tuinhistorische waarde als goed herkenbaar voorbeeld van een  kloostertuin uit het einde van de negentiende eeuw, waarin zich diverse voor  de functie kenmerkende onderdelen bevinden zoals een moestuin en een  wandeltuin.

Lourdesgrot (Nummer 525541)

Inleiding.

LOURDESGROT in 1905 gebouwd in de kloostertuin van het klooster van de Liefdezusters van het Kostbaar Bloed. De grot is opgericht naar een ontwerp uit 1901 van een van de kloosterzusters in samenwerking met de tuinman en uitgevoerd door de plaatselijke aannemer Nol van Pol. De grot kenmerkt zich door zgn. 'rotseerwerk', de voor Lourdesgrotten gebruikelijke imitatie van grotoppervlak vaak in een combinatie van beton en baksteen.  Sinds 1975 is de grot niet meer toegankelijk, omdat de toegang na vandalisme is dichtgemetseld. Vermoedelijk betreft het een combinatie van Lourdesgrot met  een voorstelling van de Hof van Olijven.

Omschrijving.

De LOURDESGROT heeft een grillige plattegrond, en heeft een hoog opgaande voorzijde en een lagere, afgeronde achterzijde. Het oppervlak van de grot is uitgevoerd in een combinatie van gesinterde steen, cement en lavasteen met diverse druipsteeneffecten.  Aan het pad heeft de grot een breed uitlopend en hoog front waarin in  navolging van de Marsabeille te Lourdes een opening, die thans is  dichtgemetseld. In de oorspronkelijke situatie heeft de hooggeplaatste  rotsspleet boven de entree van de grot naar gebruikelijk model een  Mariabeeld bevat.  Aan de achterzijde vertoont het bouwwerk eenforse min of meer afgeronde  uitstulping, die wijst op een vermoedelijk overwelfde binnenruimte. Het  interieur van de grot was uitgevoerd met lichtopeningen voorzien van gekleurd  glas en een voorstelling van de drie slapende apostelen in de Hof van Olijven.

Waardering.

De Lourdesgrot in de tuin van het zusterklooster in Koningsbosch vertegenwoordigt algemeen belang en heeft cultuurhistorische waarde en ensemblewaarde als functioneel onderdeel van het kloostercomplex. De  Lourdesgrot speelt binnen dit complex en meer specifiek binnen de kloostertuin  een belangrijke rol vanwege de samenhang met de in de late negentiende en  vroege twintigste eeuw bloeiende devotie rond Maria en het verschijnen van  nabootsingen van de grot te Lourdes overal in Europa met name in  kloostertuinen en devotieparken.  De grot bezit architectuurhistorische en kunsthistorische waarde als een goed en herkenbaar typologisch voorbeeld van een type Lourdesgrot, met voor de tijd en bouwtype typisch materiaalgebruik.

(Datum: 22-04-2002).

In 2006 is het veel slechter gesteld met het onderhoud van het monumentale project. Er zal hoog nodig actie ondernomen moeten worden. Dat erkent ook de plaatselijke politiek getuige onderstaand plan:

04-04-2006:

Herontwikkeling Klooster Koningsbosch:

Doel van de herontwikkeling van het klooster is dit complex te behouden voor Koningsbosch en er een functie aan te geven. In het kader van het DOP Koningsbosch is het de bedoeling om in het klooster een gemeenschapshuis met bijbehorende voorzieningen en maatschappelijke functies te verwezenlijken , het monumenteel waardevolle deel te renoveren en inpandig appartementen en algemene ruimten in te richten. De kloostertuin gaat benut worden als park voor het dorp met parkeervoorzieningen in het groen, sportvoorzieningen (b.v. tennisbanen) en woningen in een parkachtige omgeving, ommuurd door de eeuwenoude kloostermuur. Er zijn natuurlijk enkele randvoorwaarden:

  • in het klooster moeten maatschappelijke ruimten conform het DOP Koningsbosch een plaats krijgen

  • recht moet worden gedaan aan het monumentale karakter van het klooster

  • de kloostertuin moet worden ontwikkeld tot dorpspark met de bijbehorende voorzieningen

  • in de tuin is ruimte voor exclusieve woningbouw met ruime opzet.

Op 7 april a.s. is een aantal projectontwikkelaars uitgenodigd om ten overstaan van collegeleden, betrokken provincie- en gemeenteambtenaren en de dorpsraad Koningsbosch een presentatie te geven van een plan van aanpak.

Klooster Liefdezusters van het Kostbaar Bloed (Voormalig)
Klooster Liefdezusters van het Kostbaar Bloed (Voormalig)
Klooster Liefdezusters van het Kostbaar Bloed (Voormalig)
Klooster Liefdezusters van het Kostbaar Bloed (Voormalig)
Klooster Liefdezusters van het Kostbaar Bloed (Voormalig)
Klooster Liefdezusters van het Kostbaar Bloed (Voormalig)
Klooster Liefdezusters van het Kostbaar Bloed (Voormalig)
Klooster Liefdezusters van het Kostbaar Bloed (Voormalig)
Klooster Liefdezusters van het Kostbaar Bloed (Voormalig)
Klooster Liefdezusters van het Kostbaar Bloed (Voormalig)
Klooster Liefdezusters van het Kostbaar Bloed (Voormalig)
Klooster Liefdezusters van het Kostbaar Bloed (Voormalig)
Klooster Liefdezusters van het Kostbaar Bloed (Voormalig)
Klooster Liefdezusters van het Kostbaar Bloed (Voormalig)