HOME
ZOEKTIPS
LINKS en LITERATUUR
ORGELS
LAATSTE WIJZIGINGEN
OVER ONS
DONATIES


LAATST BIJGEWERKT OP 23-04-2017

Nicolaas

Ga naar de site van de patroonheilige
 
Parochie/kerkgemeente: H. Nicolaas
Dekenaat/kerkverband: Helden
Soort gebouw: Parochiekerk
Plaats: Meijel
Gemeente: Peel en Maas
 
Adres: Raadhuisplein 13
Postcode: 5768 AR
Coördinaten: x: 189877, y: 372883
 
Rijksmonumentennummer: 28649 Code: 5768AR-00013-01
Kadastrale gegevens: Meijel 00 E 01662
Bouwpastoor/bouwpredikant: J.G.H.M. Schreurs / J.G.H. Grubben
 
Architect(en):
 
Huidig gebruik: R.K. kerk

 Foto: juni 2008

Redengevende omschrijving Rijksdienst voor de Monumentenzorg

De St. Nicolaaskerk, plm 1956 door F. Peutz, vanwege o.a. beelden (Madonna, XV, H. Lucia en H. Nicolaas XVIII), een schilderij met de Geboorte van Christus XVI of XVII, en een tweeklaviers orgel, in 1864 gemaakt door de Gebr. Franssen voor de R.K. Kerk te Lieshout. In 1965 overgeplaatst naar Meijel. (Voor correcte informatie over orgel zie beneden.) (Datum: 18-06-1968)

Ruimtelijke context

De Sint-Nicolaaskerk is gelegen in het oude dorpscentrum van Meijel op dezelfde locatie waar ook de oudere kerken van Meijel stonden. Dit impliceert dat de kerk evenals haar voorgangsters georiënteerd is. Naast en achter de kerk ligt het kerkhof. Aan de Kerkstraat grenzend aan de dodenakker staat de voormalige noodkerk. Tegenover de Nicolaaskerk, eveneens aan de Kerkstraat, staat de pastorie. De toren met hoofdingang komt uit aan het Raadhuisplein, waar het gemeentehuis staat. Rond dit plein liggen horecagelegenheden en winkels. De 80 meter hoge toren fungeert als landmark. De kerk is sedert 1968 Rijksmonument vanwege de beelden, een schilderij en het orgel.

Type

In speklagen opgetrokken driebeukige hallenkerk met fronttoren. De kerk is overkluisd met netgewelven. De banken zijn axiaal opgesteld.

Bouwgeschiedenis

Tot 1903 stond in Meijel een twaalfde-eeuwse toren, waarmee in ieder geval de kerk een vorm van datering heeft. Het kerkje werd afgebeeld in 1788 en bestond toen uit een zaalkerk met zadeldak en een polygonaal priesterkoor, afgedekt met een schilddak. Aan de noordzijde stond een zijportaal en aan de westzijde de toren in drie geledingen en een naaldspits. In 1835 was deze kerk te klein geworden en werd zij vervangen door een zgn. Waterstaatskerk. De toren bleef hierbij behouden. Na de afsplitsing van 1887 bleef de bevolking hard groeien en werd ook de ‘Waterstaatskerk’ te klein en vervangen, ditmaal met afbraak van de oude toren. De nieuwe kerk was een neogotische kruiskerk van vader en zoon Van Groenendael, wellicht is samenwerking met mgr. H. Wouters, directeur van het Bisschoppelijk College te Weert en een broer van de pastoor in Meijel. De aldus verkregen kerk werd om zijn schoonheid en grote formaat de ‘kathedraal van de Peel’ genoemd. Omdat de nieuwe kerk op dezelfde plaats als de oude werd gebouwd, was de parochie afhankelijk van een noodkerk, die van 1901 tot de inzegening van de nieuwbouw in 1904, in gebruik bleef. De kerk was bij de oplevering nog niet helemaal ingericht, dat was een proces, dat zich tot 1944 voortzette.

Op 25 september werd de kerk door de terugtrekkende Duitsers opgeblazen ‘met een hele vrachtwagen dynamiet’. Vervolgens lag het dorp een maand in de frontlinie, waarbij de kerk regelmatig werd beschoten door de Duitsers, omdat in het dorp Engelsen zaten. Bij de herovering door de Duitsers in november werd de kerk voor de tweede maal opgeblazen, zodat zij totaal verwoest werd. Weer een maand later werd Meijel definitief bevrijd en werden de restanten van de kerk opgeruimd.

Met betrekking tot de laatste alinea kan het volgende aangevuld/aangepast worden: Op 25 september werd de kerk door de terugtrekkende Duitsers opgeblazen 'met een hele vrachtwagen dynamiet'. Vervolgens lag het dorp een maand in de frontlinie, waarbij de kerk regelmatig werd beschoten door de Duitsers, omdat in het dorp Engelsen zaten (tot 8 October). Vanaf 8 October tot 27 October was het de 7e Amerikaanse Pantser Divisie. Bij de herovering door de Duitsers 27 October werd de kerk voor de tweede maal opgeblazen, zodat zij totaal verwoest werd. Op 15 November werd Meijel definitief bevrijd door het Britse 8e Korps en werden de restanten van de kerk opgeruimd.  Bron: Niek Hendrix, Ospel

Bouwgeschiedenis

Noodkerk

Noodkerk. Foto: juni 2008

Na de verwoesting van de kerk werden tussen 1944 en 1947 de cafézaal Pluijm en het parochiehuis gebruikt om de vieringen in te houden. De zaal had geen waardigheid en werd dringend benodigd als recreatieruimte. Pastoor Greijmans vroeg in 1945 bij het bisdom om een barak, maar die was toen niet voorradig. Intussen was men uitgeweken naar het parochiehuis. In november 1945 had architect Pierre Weegels al een set tekeningen voor een noodkerk gemaakt, die later als gymnastieklokaal kon fungeren. Aannemer A. Tummers uit Weert verwierf de opdracht. Met de bouw werd in 1946 begonnen. In 1947 kon de noodkerk, gelegen achter de nieuwe kerk aan de Kerkstraat, in gebruik genomen worden. Het is een bakstenen eenbeukig gebouw met ingesnoerd priesterkoortje. De koorpartij was door enige treden verhoogd, opdat het altaar voor iedereen goed zichtbaar was. Ter linkerzijde van het koor stond de preekstoel, rechts stond een Maria-altaar. Nadat de kerk van Peutz in 1955 in gebruik genomen was, werd de noodkerk in 1956 na bisschoppelijke goedkeuring verbouwd tot gymnastieklokaal. In 1961 werd het lokaal overgedragen aan het RK Schoolbestuur. Later diende het - tot voor kort - als huisvesting van de openbare bibliotheek. Momenteel is de noodkerk in gebruik als clublokaal van de Beugelclub Meijel.

Huidige kerk

In augustus 1945 vervaardigde architect Boosten een set tekeningen op schaal 1:200 voor een nieuwe Nicolaaskerk. Na het overlijden van Boosten besloot men in februari 1952 de contacten met het bureau te verbreken. Men vond het plan van wijlen Alfons Boosten wel mooi, maar het was te duur. Op 20 februari van dat jaar vroeg het kerkbestuur bisschop Lemmens permissie om architect Peutz te benaderen. De toestemming volgde prompt. De tekeningen die Peutz in augustus 1952 inleverde dateerden van 1950 en 1952. De aanbesteding vond plaats op 31 augustus 1953. Het werk werd gegund aan de laagste inschrijver, de firma Coppes uit Maastricht. Toen de bouw in volle gang was, vroeg het kerkbestuur eind december 1953 bisschop Lemmens om voor de bouw van de pijlers Kunradersteen en voor de hoofdingang hardsteen te mogen toepassen. Deze posten waren uit zuinigheidsoverwegingen weliswaar geschrapt, maar de gemeente had 40.000 gulden subsidie toegezegd, 10.000 gulden meer dan waarop gerekend was. ‘Wanneer eenmaal de bouw van de kerk te ver gevorderd is, is dit niet meer mogelijk, terwijl het geheel daardoor een aanmerkelijk fraaier aanzien krijgt en wat betreft de hardsteen meer aan de liturgische eisen voldoet’. De bisschop gaf hiertoe op 5 januari 1954 zijn goedkeuring. De eerste steen werd gelegd op 21 maart 1954. De kerk werd op 9 april 1955 in gebruik genomen. Pastoor Schreurs mocht dat niet meer meemaken, hij overleed in december 1954 en werd opgevolgd door pastoor Jozef Grubben. Op 8 juli 1957 consacreerde Mgr. Hanssen de kerk. Peutz ontwierp een uit baksteen en mergel opgetrokken hallenkerk met 900 zitplaatsen. De vormgeving was, met uitzondering van de koorpartij, traditioneel. Dit gold ook voor het op zich prachtige netgewelf dat de hele kerk overspande. Peutz liet zich inspireren door de traditionele Zuid-Limburgse bouwwijze met zijn speklagen. De gelede toren met zijn ranke zeszijdige spits was terug te voeren op de toren van de neogotische kerk. Het gewelf, waarbij de ribben schroefvormig uit de pijlers tevoorschijn komen, is van laatgotische origine en treft men o.m. in Duitse kerken aan zoals de Marktkirche in Halle en Annenkirche in Annaberg. De pers loofde Peutz’ werk, maar betreurde – zoals Koch in de Maas- en Roerbode – dat zo’n tweehonderd kerkgangers geen zicht hadden op het altaar en zo niet ten volle kon deelnemen aan de liturgie. De kerk van Meijel lijkt veel op het eerste, niet uitgevoerde plan voor de H. Geestkerk van Roermond.

Veranderingen

Onder leiding van architectenbureau Mertens, Hamers & Voorvelt werd in 1992 een plan gemaakt tot herinrichting van de kerk, hetgeen inhield dat het bankenplan enigszins gereduceerd werd om een minder lege indruk te geven. Tevens werd voorgesteld de communiebanken te verwijderen en om het links van het altaar geplaatste doopvont te zetten, alsmede een biechtstoel te verwijderen. Tussen de communiebank, die op haar oude plaats bleef staan, en het altaarpodest werd een houten podium gebouwd om de altaarruimte te vergroten. Een aantal banken werd inderdaad verwijderd. Tevens werd de jongensacristie ingericht tot dagkapel.

Exterieur

Schip aan de linkerzijde. Foto: juni 2008

Het silhouet van de kerk wordt bepaald door de half ingebouwde klokkentoren. Deze telt vier geledingen, die met waterlijsten van elkaar gescheiden zijn. Aan de voorzijde van de onderste geleding staat in een hardstenen omraming de dubbele houten toegangsdeur. Ingangspartij bevindt zich in een iets terugspringende rondboognis. In de noord- en zuidgevel van de toren zijn ter hoogte van de zangtribune rondboogvensters uitgespaard. De tweede en derde geleding hebben aan elke zijde twee nissen, die enkel door een klein rechthoekig raampje doorbroken worden. De bovenste geleding herbergt de klokken en heeft op iedere zijde twee rondboog galmgaten. Boven de geprofileerde daklijst staat de zeszijdige betonnen spits. Deze is donkergrijs geverfd zodat het vanaf enige afstand lijkt alsof er leien op liggen. De top wordt bekroond door een kruis en torenhaan. Op de spits zijn vier wijzerplaten gemonteerd. De toren en de overige delen van kerk en sacristie zijn in speklagenverband, baksteenlagen afgewisseld met lagen mergel, opgebouwd. De banden mergel zijn niet allemaal even dik. Ook het aantal lagen baksteen tussen de mergelbanden varieert. De westgevel van de kerk heeft aan elke zijde een hoog rondboograam. De noord- en zuidgevel zijn qua opbouw gelijk. Op de hoeken van het schip bij de toren staan absiden, die met een half kegeldak tegen de zijgevel staan. Het schip heeft aan iedere zijde acht rondboogvensters. De iets smallere koorpartij heeft elke kant één raam. In het midden van de noord- en zuidgevel staan twee portaaltjes met de zij-ingangen. Beide leunen met een lessenaardak tegen de zijgevels. Het schip wordt afgedekt met een met leien bedekt zadeldak, dat tot over het koor doorloopt. De licht bolgewelfde koormuur heeft op de twee hoeken absiden. Midden in de gevel lopen twee steunberen omhoog. Op de contreforten staat de clocher-arcade. Ten zuiden van het schip, ter hoogte van het koor ligt als semi-onafhankelijk gebouw de sacristie. De sacristie heeft deuren in de west- en oostgevel. De rondboogvensters zijn in de west-, zuid- en oostgevel aangebracht. De sacristie heeft een leien schilddak.

Interieur

Zicht op het priesterkoor. Foto: juni 2008

Zicht op de zangtribune. Foto: juni 2008

De toren betredend komt men in het portaal. Links en rechts zijn deuren van in de toren gelegen zijportaaltjes door welke men ook de kerk kan betreden. Een dubbele houten deur met zes ronde lichtopeningen sluit het portaal van de kerk af. Sedert 1993 is een ijzeren hekwerk aangebracht over de hele breedte van de kerk, zodat het Maria-altaar linksachter bezocht kan worden, maar het betreden van de kerk onmogelijk is. De dubbele houten deur en de deuren van de zijportalen komen uit onder de orgeltribune. Het orgel staat in de toren, die met een grote rondboog naar het schip geopend is. De zangtribune is iets uitgebouwd en van een houten balustrade voorzien. De eerste steen is geplaatst in het linker zijportaal van de toren. De banken staan in zes blokken opgesteld in middenschip en zijbeuken. Vanaf de hoofdingang loopt een middenpad naar de altaarruimte. Ter hoogte van de zijportalen doorkruist een pad het middenpad. De zijbeuken zijn minder breed en lager dan het middenschip. Vroeger stonden er banken opgesteld, zodat men niet kon spreken van processiegangen. Veel van deze banken zijn in 1993 verwijderd. Langs de buitenmuren zijn rechthoekige wandpijlers aangebracht die de gewelfdruk moeten opvangen. Er zijn acht traveeën in schip en twee in de altaarruimte. De hoge pijlers zijn vervaardigd uit Kunradersteen en hebben basementen noch kapitelen. De ribben komen schroefvormig uit de pijlers tevoorschijn. Het netgewelf is voorzien van ribben en sluitstenen. Non-figuratieve glas-in-loodramen zijn uitgevoerd in Danziger of superantiek glas met zes hoofdkleuren (geel, rood, groen, paars, blauw en oranje) in 15 verschillende nuances. De vloeren van het schip en het koor zijn belegd met gepolijste Naamse steen. De altaarpodesten zijn uit hetzelfde soort marmer als het altaar. De wanden zijn van ruwe ‘Kratzputz’ voorzien. De zijportalen hebben dubbele houten deuren. Achter het altaar is een rechthoekig nis uitgespaard. In de hoeken in de absiden staan de zijaltaren. Rechts van het vieringaltaar is de deur naar de sacristie.

(Bron: Dr A. Jacobs en Drs. A.A. Wiekart – Kerken na 1940. Inventarisatie en waardenstelling kerkelijke bouwkunst na 1940 –Roermond – Stichting Monumentenhuis Limburg, 2003).

Orgel

Foto: juni 2008

Blijkens het “Aardrijkskundig woordenboek” van van der Aa was deze kerk in 1846 “van een orgel voorzien”; volgens de dispositieverzameling van Broekhuyzen (medio 19e eeuw) – die ten onrechte uitgaat van 1849 – een eenmanuaals orgel met aangehangen pedaal; in 1915 plaatste Vermeulen (Weert) een nieuw orgel dat echter in 1944 verloren ging; voor de herstelde/vernieuwde kerk bouwde Verschue-ren Orgelbouw (Heythuyzen) in 1965 een nieuw tweemanuaals orgel met gebruikmaking van de kas (welke door Verschueren werd voorzien van een onderkas), één windlade en enig pijpwerk van het in 1864 door Gebr.Franssen (Horst) voor de kerk te Lieshout gebouwde orgel.

                Hoofdwerk                           Positief                                  Pedaal

                Prestant 8’                           Stilgedekt 8’                         Subbas 16’

                Holpijp 8’                              Prestant 4’                           Prestant 8’

                Octaaf 4’                              Gedektfluit 4’                        Gamba 8’

                Roerfluit 4’                            Vlakfluit 2’                            Octaaf 4’

                Gemskwint 2 2/3’                 Tertiaan II                            Mixtuur III

                Octaaf 2’                               Scherp III-IV                        Fagot 16’

                Mixtuur III-IV                         Roerschalmei 8’

                Trompet 8’

(literatuur: Het historische orgel in Nederland, deel VI, blz.35)

Bron: G.M.I.Quaedvlieg – Orgeldocumentatie Limburg (Stadsbibliotheek Maastricht)

Hardsteen, ca. 1954.

Het koperen hekwerk heeft een motief van gelijkarmige kruisjes.

 
 
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas