HOME
ZOEKTIPS
LINKS en LITERATUUR
ORGELS
LAATSTE WIJZIGINGEN
OVER ONS
DONATIES


LAATST BIJGEWERKT OP 23-04-2017

Severinus

 
Parochie/kerkgemeente: H. Severinus
Dekenaat/kerkverband: Thorn-Heythuysen
Soort gebouw: Parochiekerk
Plaats: Grathem
Gemeente: Leudal
 
Adres: Kerkplein 1
Postcode: 6096 AK
Coördinaten: x: 187996, y: 355829
 
Rijksmonumentennummer: 17203 Code: 6096AK-00002-01
Kadastrale gegevens: Heythuysen D 1237
Bouwpastoor/bouwpredikant: P.M.G. van den Beuken
 
Architect(en):
 
Huidig gebruik: R.K. Kerk

Foto: mei 2007

Redengevende omschrijving Rijksdienst voor de Monumentenzorg

St. Severinuskerk, bestaande uit een laatromaanse westtoren, XIIIa, een pseudobasilicaal schip, XVa, een enkelvoudig mergelstenen koor, XV of XVIa, en een dwarse uitbreiding uit 1954. Tussen schip en in de 19e eeuw vernieuwde zijbeuken zuilen met Maaskapitelen, XVa. Gotisch altaar van mergel en hardsteen, XIV ?; biechtstoelen, preekstoel, XVII-XIX; houten beelden; groot corpus, XVd, H. Rochus, H. Joannes Nepomuc, H. Severinus, H. Agatha, XVII of XVIII. Twee hardstenen grafzerken, XVIIb, van Borman, 1769, van J.G. van Kercken, beide met kwartierwapens. Buiten zeven stenen grafkruisen, 1628-1757. Klokkenstoel met gelui bestaande uit een klok van H. Petit, 1794, diam. 95 cm en twee moderne klokken. In het Angelustorentje een klok van een onbekende gieter, 1879. Mechanisch torenuurwerk, met elektrische opwinding. (Datum: 11-01-1968)

Ruimtelijke context

De Severinuskerk vormt de afsluiting van het Kerkplein, dat gelegen is in de dorpskom. Achter en naast de kerk is het kerkhof gelegen. Aan het plein liggen de twee voormalige pastorieën. Het gemeentehuis van Grathem, dat thans als kantoorgebouw in gebruik is, ligt eveneens aan het Kerkplein. Het oude deel van de kerk is Rijksmonument. De toren is een landmark.

Type

In baksteen opgetrokken basilicaal schip met een polygonaal gesloten koor, dat tegen de noordflank van de oude kerk is gebouwd. De kerk is in gotiserende trant gebouwd.

Bouwgeschiedenis

Voorgangsters

De in Grathem nog steeds bestaande toren stamt waarschijnlijk uit de 12de of 13de eeuw en is gebouwd in mergel. Het schip is van latere datum, waarschijnlijk een vergroting uit omstreeks 1500. In 1840 werd aan de noordzijde een zijbeuk geplaatst, een tiental jaren later gevolgd door een zuidbeuk. In 1900 werd een kleine uitbreiding gerealiseerd. De noordelijke zijbeuk werd doorgetrokken tot aan de traptoren. Begin jaren dertig maakte architect Caspar Franssen plannen om de kerk van Grathem om te bouwen tot een drieschepige hallenkerk. Dit ambitieuze plan vond geen doorgang. Er werd enkel tegen de noordgevel een transeptarm gebouwd, alsmede een nieuwe sacristie. Van oktober tot november 1944 lag het dorp onder zwaar Geallieerd artillerievuur. De kerk leed ernstige schade.

Kerk voor de oorlog. Bron: De vernielde kerken van Limburg / A. van Rijswijck, pr. - 1946

Huidige kerk

Rechter zijbeuk en schip. Foto: mei 2007

Op 27 december 1945 verklaarde het kerkbestuur van Grathem dat het niet tegen restauratie was, maar toch ook de kerk wenste te vergroten. In februari 1947 werden de eerste gesprekken met het bisdom gevoerd over de herbouw van de kerk. Het kerkbestuur droeg in april van dat jaar architect Joseph Franssen voor. Het bisdom liet in mei 1947 weten hiermee akkoord te gaan. Joseph Franssen haalde de plannen van zijn vader weer uit de kast. De Rijksdienst voor de Monumentenzorg ging in april 1948 akkoord met de door Franssen ingediende uitbreidingsplannen, waarbij de zuidelijke zijbeuk behouden bleef. Het duurde toch nog tot januari 1952 toen de nieuwe plannen van Franssen, die voorzagen in een nieuwe kerkschip, dat haaks op het oude geplaatst zou worden definitief werd goedgekeurd. De oude kerk bleef, met uitzondering van de noordelijke zijbeuk, gespaard. Het afbraakmateriaal werd zoveel mogelijk hergebruikt. Op 11 februari 1952 werden de restauratie van de oude kerk en de nieuwbouw aanbesteed. De toren werd twee jaar later aanbesteed. De werkzaamheden verliepen voorspoedig. De nieuwbouw werd op 13 juni 1953 ingezegend.

Veranderingen

Omstreeks 1968 werd het priesterkoor gewijzigd. Het oude neogotische altaar werd verwijderd. Het orgel, dat tot dan toe in de oostelijke zijbeuk stond, kreeg een plaats op het koor. Het tabernakel werd op een altaartje in een spitsboog bij de zangkapel geplaatst.

Exterieur

Oude kerk

De toren staat aan de westzijde van de kerk en bestaat uit vier geledingen, die zijn onderscheiden door waterlijsten. Iedere geleding bestaat uit een spaarveld met lisenen. In de eerste geleding bevindt zich in het midden aan de westzijde een spitsboog, die is afgesloten met een deur met een segmentboog. Deze staat niet op de rooilijn maar verder terug. Boven de deur bevindt zich in de muur een rond venster. In de tweede geleding staat rechte boven de ingang een spitsboogvenster. In de derde geleding is een muizetand (?) aangebracht, evenals in de vierde geleding, die bovendien twee galmgaten met spitsboog heeft, waarin galmluiken zijn gemonteerd. Boven een geprofileerde lijst staat een naaldspits, die is gekroond met een bol en kruis.

Aanbouw

Aan de noordzijde staat een aanbouw, die bestaat uit een schip met polygonaal priesterkoor en verlaagde zijbeuken, die tot en met het koor doorlopen. De muren zijn opgetrokken in rode baksteen, die in staand verband gemetseld zijn. De in de gevels verwerkte aanzetstukken zijn gehouwen uit Brouvilliers kalksteen. De westelijke zijbeuk telt vier traveeën en is gedekt met een lezenaarsdak. Tussen de steunberen staan rondvensters. De lichtbeuk heeft gelede steunberen met daartussen getraceerde spitsboogvensters. Hierboven een zadeldak. Op de overgang van schip naar koor staat een dakruiter in de vorm van een clocher-arcade met een ezelsrug. Het koor heeft boven het lezenaarsdak van de zijbeuk getraceerde spitsboogvensters en is gedekt met een polygoon schilddak. Op de punt van dit dak staat een ijzeren kruis. De daken en de steunberen zijn gedekt met leien. De oostelijke zijbeuk is deels blind en laat door zijn hoogte geen ruimte over voor een lichtbeuk. Ter plaatse is de kerk pseudo-basilicaal. Tegen deze zijbeuk staat de in de jaren dertig door Caspar Franssen ontworpen mergelstenen sacristie. De noordelijke traveeën van de oostelijke zijbeuk en de zangkapel hebben spitsboogvensters met traceerwerk. Op het zadeldak van het schip staat aan deze zijde een dakkapel.

Interieur

 Zicht op het priesterkoor. Foto: mei 2007

Zicht naar achteren. Foto: mei 2007

De kerk wordt betreden via het portaal onder de klokkentoren. Een dubbele tochtdeur geeft toegang tot het oude schip. Vanuit de toren loopt een pad naar de oude koorpartij, waar thans een stenen altaar staat en de doopvont. De vloer bij de vont is verlaagd. Hardstenen zuilen met maaslandse kapitelen schragen het kruisribgewelf van middenschip en zijbeuk. De banken in het oude schip zijn gericht op het altaar in de aanbouw en staan dus haaks op het stenen altaar in het oude priesterkoor. Twee hardstenen zuilen en een mergelstenen kruispijler bakenen het oude en het nieuwe deel van de kerk af. De pijlers zijn door drie rondbogen met elkaar verbonden. Een middenpad voert tussen de twee zuilen door naar het priesterkoor. De vloeren in de gehele kerk zijn belegd met Noorse kwartsiettegels. Aan weerszijden staan twee blokken met banken, wier wangen fraai uitgestoken zijn. De binnenmuren hebben een doorlopende bakstenen plint. Daarboven is het muurwerk gestukadoord. Het schip wordt geflankeerd door een lage zijbeuk in het westen, die zich met vier segmentbogen opent naar het middenschip en een hoge zijbeuk in het oosten. De hoge zijbeuk heeft vier gotische scheibogen. Het met netgewelven overkluisde middenschip telt vier traveeën. De met porisosteen gebouwde gewelven steunen met hun ribben, van Sibbersteen, op de Brouvilliers kalkstenen kapitelen van de (wand)pijlers. De gewelven hangen tussen vier gordelbogen, die tevens op de pijlerkapitelen rusten. Doordat het gewelf laag aanzet en hoog oprijst ontstaat een grote ruimtelijke werking. De lage zijbeuk heeft gestuukte tongewelfjes. De hoge zijbeuk is voorzien van kruisribgewelven. Het koor is eveneens overkluisd met een kruisrib- en een straalgewelf. Ter plaatse rusten de ribben op schalken. Het priesterkoor verheft zich drie treden boven het niveau van het middenschip. Het koor is met hout vergroot. Op deze uitbouw staat een houten altaar. De achterwand van het koor wordt gedomineerd door het orgel. Rechts van het koor is de zangkapel gebouwd, die vanaf het priesterkoor en vanuit de oostelijke zijbeuk te betreden is. Aangezien de nieuwe kerk geen zangtribune had, stond het koor in deze kapel. De sacristie kan betreden worden via een deur in de oostelijke zijbeuk. De westelijke zijbeuk biedt toegang tot een zijportaal.

(Bron: Dr A. Jacobs en Drs. A.A. Wiekart – Kerken na 1940. Inventarisatie en waardenstelling kerkelijke bouwkunst na 1940 –Roermond – Stichting Monumentenhuis Limburg, 2003).

Orgel

In 1836 plaatste Vermeulen (Weert) in deze kerk een positief, dat in 1910 vervangen werd door een tweemanu-aals orgel; dit ging in 1944 verloren; in 1966 kreeg de kerk de beschikking over het in 1951 door Verschueren Orgelbouw (Heythuyzen) voor het bisschoppelijk college te Roermond gebouwde tweemanuaals orgel.

 

                Hoofdwerk                            Zwelwerk                              Pedaal

                Prestant 8’                            Bourdon 8’                           Subbas 16’

                Roerfluit 8’                            Kwintadeen 8’                      Prestant 8’

                Octaaf 4’                               Tolkaan 4’                            Gedekt 8’

                Spitsfluit 4’                            Nachthoorn 2’                      Octaaf 4’

                Mixtuur III-IV                        Sesquialter II                       Kwint 2 2/3’

                                                             Regaal 8’

Bron: G.M.I.Quaedvlieg – Orgeldocumentatie Limburg (Stadsbibliotheek Maastricht).

Gedenksteen, 1952. Voorstelling: van het Maastrichtse genadebeeld O.L. Vrouw Sterre der Zee. Opschrift: STERRE DER ZEE PORTA COELI ORA PRO NOBIS 7 SEPT. ’52.

Kerkbanken, hout, ca. 1953. De banken hebben liervormige wangen met hoornen van overvloed gevuld met bloemen en bladeren, in de bovenkrul een zonnebloem. De banken zijn gelijk aan die te Wessem.

Tabernakel, geelkoper, 1935. Op de deur staat een kruismotief met in het midden een medaillon waaruit stralen te voorschijn schieten. In het medaillon als haut-reliëf een voorstelling van een vis met daarachter een korf met broden.

Severinus
Severinus
Severinus
Severinus
Severinus
Severinus
Severinus
Severinus
Severinus
Severinus
Severinus
Severinus
Severinus
Severinus
Severinus
Severinus
Severinus
Severinus
Severinus
Severinus
Severinus
Severinus
Severinus
Severinus
Severinus
Severinus
Severinus
Severinus
Severinus
Severinus
Severinus
Severinus