HOME
ZOEKTIPS
LINKS en LITERATUUR
ORGELS
LAATSTE WIJZIGINGEN
OVER ONS
DONATIES


LAATST BIJGEWERKT OP 23-07-2017

Nicolaas

Ga naar de site van de patroonheilige
 
Parochie/kerkgemeente: H. Nicolaas
Dekenaat/kerkverband: Venlo-Tegelen
Soort gebouw: Parochiekerk
Plaats: Venlo
Gemeente: Venlo
Wijk: Genooi
 
Adres: Van Postelstraat 53
Postcode: 5914 PN
 
Kadastrale gegevens: Venlo A 3805
Bouwpastoor/bouwpredikant: N.Th. Huijbers
 
Architect(en):
 
Kunstenaar(s):
 
Huidig gebruik: R.K. Kerk

Foto: Job van Nes, juni 2006

Ruimtelijke context

De plaats van de St. Nicolaaskerk is in de wijk Venlo-Genooi, gedeeltelijk nieuwbouw en gedeeltelijk oudbouw. De kerk, de pastorie en de klokkentoren zijn losstaande elementen aan een groot plein. De toren markeert één van de opgangen naar de kerkingang. De kerk is niet als onderdeel van een stedenbouwkundig plan ontworpen. Mede door het grasveld en het groen rondom de kerk ontstaat een zekere distantie tot de omliggende bebouwing. De grootte van het gebouw en de afwijkende vorm geven het een monumentaal karakter en de kerk is zeker gezichtsbepalend voor de directe omgeving.

Type

De niet-georiënteerde zaalkerk is opgetrokken uit baksteen. De kerk heeft een centrale opstelling in banken, die op een oplopende vloer staan.

Bouwgeschiedenis

Voorgangsters

De oudste vermelding van de naam van H. Nicolaas stamde uit 1244, toen het schippersgilde in Venlo een kapel stichtte ter ere van zijn patroon. In 1399 werd door de kruisheren de bediening van deze kapel overgenomen en werd een klooster gesticht. In 1797 werd het klooster door de Fransen gesloten en werden de gebouwen voor andere doeleinden in gebruik genomen. In 1877 werd de kerk gerestaureerd door P. Cuypers en opnieuw in gebruik genomen, nu als hulpkerk van de H. Maartenparochie. In 1894 werd een rectoraat aan de kerk verbonden. Op 5 november 1944 werd de kerk door bommen getroffen en zo zwaar beschadigd, dat tot sloop werd besloten. Vervolgens werd tevens het rectoraat, dat aan de kerk was verbonden, opgeheven.

  

De oude Nicolaaskerk voor- en na de oorlog. Bron: De verwoeste kerken van Limburg / A. van Rijswijck, pr

Noodkerk

De zielzorg in de buurtschap Genooi, in het noorden van Venlo, waar grote armoede heerste, werd ondertussen vanaf 1929 door een trappist ter hand genomen. De Mariakapel van Genooi fungeerde hiertoe als hulpkerk. Officieel ressorteerde Genooi onder de in 1922 gestichte H. Hartparochie. Na de oorlog besloot bisschop Lemmens, ter ontlasting van de H. Hartparochie, in het noordwesten van de stad, bij Genooi, een nieuwe parochie op te richten. Op 1 oktober 1946 werd de nieuwe Sint-Nicolaasparochie opgericht. Zo bleef de naam van deze heilige aan de stad verbonden. Als tijdelijke parochiekerk bleef de kapel van Genooi in gebruik. Deze was van meet af aan te klein, vandaar dat al in 1947 werd gekozen voor de inrichting van een restaurant als tweede kerk. In 1949 werd een nieuw gebouwd parochiehuis naar ontwerp van architect Jules Kayser in gebruik genomen, dat tevens was ingericht als noodkerk. Deze werd in 1964 verkocht aan de gemeente Venlo en in 1965 in gebruik genomen als sporthal. Na jarenlang als zodanig gebruikt te zijn werd het gebouw heringericht en in 2001 in gebruik genomen als gemeenschapshuis. Dit gebouw staat aan de andere zijde van de straat en staat nog steeds bekend als ‘de witte kerk’.

Huidige kerk

In 1955 werd P.H. Weegels door het kerkbestuur aangezocht als architect maar na zware strubbelingen gaf Weegels in december 1958 de opdracht terug. Hierna werd architect G.J. van der Grinten aangezocht. Hij kreeg als opdracht mee een tijd- en streekeigen kerk te bouwen zonder binding aan enig stijltype. De kerk zou een ruimte moeten zijn die de gelovigen met God en met elkaar verbindt en waarin een eenheid tot stand komt tussen altaar en gelovigen. Zijn ontwerp werd in april 1959 aan de BBC aangeboden. Van der Grinten ontwierp een voor die tijd zeer modern gebouw. Aangezien altaar en zangkoor niet op de voorgeschreven plaats stonden, was toestemming van bisschop Moors vereist. Het ging specifiek om de plaats van het altaar en van de tabernakel. De tabernakel werd voor het vieringaltaar geplaatst en wel op een sokkel in een verdieping in de vloer, zodat het centraal in de ruimte kwam te staan. Deze sokkel bestond uit een lage, gesloten kubus van wit marmer, met hierop een tabernakel, eveneens kubusvormig, die was omhuld door een gordijntje. Dit tabernakelaltaar was bedoeld om de Tridentijnse mis te kunnen lezen. Achter dit sacramentsaltaar stond het vieringaltaar, bestaande uit twee stipes van marmer, waarop een marmeren mensa lag. Het vieringaltaar werd ingericht voor de mis ‘ad faciem versus populum’. De altaarruimte was van de rest van de kerk afgescheiden door een eenvoudig ijzeren hekje, bestaande uit rechte stijlen, waar overheen een horizontale ligger was gemonteerd. De nadruk op de altaarruimte werd door het oplopende dak en de verlichting van bovenaf verkregen. De ambones werden achter in de altaarruimte geplaatst, hetgeen een noviteit was. Hierdoor werd nog meer de aandacht op de tabernakel gevestigd. Tegelijkertijd werd de centrale opstelling van de banken gecombineerd met een oplopende vloer. Tevens werd de zangtribune op een zeer ongebruikelijke plaats geprojecteerd, namelijk achter de altaarruimte. Als gevolg hiervan had het koor geen zicht op het altaar, maar keek het als het ware het kerkvolk aan. De zangtribune stond op de ruimtes, die werden gevuld met twee kapellen, biechtstoelen en sacristie. Omdat de ingangen aan dezelfde zijde zaten, werden de binnenkomende bezoekers gewezen op de sacramenten van biecht en doop als zij langs de ruimtes de kerk in liepen. Het exterieur was zeer bescheiden. Aangezien het volgens de architect niet langer in de tijdgeest paste om een groot en indrukwekkend gebouw te plaatsen, werd het een kerk, die bijna weg zou moeten vallen in de profane omgeving. Op 23 juli 1960 vond de publieke aanbesteding plaats. De bouw van de kerk werd gegund aan de laagste inschrijver, de Blerickse firma Jos Gerats en Zoon. Mgr. Van Odijk legde op 9 april 1961 de eerste steen. Op 24 december van datzelfde jaar werd de kerk in gebruik genomen, waarna op 6 oktober 1962 de kerk geconsacreerd werd door bisschop Moors. De kerk werd bij de ingebruikname in 1961 de eerste moderne kerk van Limburg genoemd, omdat de H. Antonius te Blerick nog in aanbouw was. In 1968 werd de architect aangeschreven door de bisschoppelijk inspecteur voor het bouwwezen, de heer J. Turlings, in verband met verontrustende berichten in de kranten over betonstenen, die als gevolg van indroging te zwak waren geworden om als constructief deel van een kerk te kunnen fungeren. De Lucaskerk te ’s-Hertogenbosch was ingestort vanwege dit euvel. Elders in het land werden uit voorzorg kerken tijdelijk gesloten. Van der Grinten kon echter iedereen geruststellen: de pijlers, waarop de dakconstructie rustte, waren slechts aan de kant van het kerkinterieur halfsteens bekleed met de gewraakte pora-lux stenen. De kern was opgemetseld in miskleur metselklinkers en dus werd de draagkracht van de pijlers hierdoor bepaald. Deze werd door Van der Grinten als voldoende betiteld. Bij de Blijde Boodschapkerk te Kerkrade moesten overigens wel bouwkundige voorzorgsmaatregels getroffen worden. Over de vensters in de zijgevels van de kerk kan nog worden opgemerkt, dat door het wisselend formaat en de schijnbaar willekeurige plaatsing deze geïnspireerd lijken op de ‘Notre Dame du Haut’ van Le Corbusier. Zoals dat bij de later uitgevoerde Vredeskerk in Venray en de H. Anna in Maastricht, beide van Th.H.A. Boosten, ook kan worden gezien. Van der Grinten paste de vensterindeling echter veel bescheidener toe en liet de organische vormgeving geheel achterwege.

Veranderingen

Reeds in 1966 werden plannen gemaakt voor de wijziging van de inrichting. Vooral de verdieping in de vloer rondom de tabernakel werd als een last gezien. Maar ook andere wijzigingen werden voorgestaan door het kerkbestuur. Van der Grinten liet weten, tegen de wijzigingen te zijn. Deze werden desondanks uitgevoerd in 1968. Het sacramentsaltaar werd in de linkerzijkapel geplaatst en het vieringaltaar werd naar voren gehaald. Het hekwerk rond het liturgisch centrum werd verwijderd. Dit was volgens de pastoor noodzakelijk om het samen vieren van de eucharistie optimaal tot zijn recht te laten komen. De vloerverdieping ging bij de wijziging teloor. In 1984 werd aan Van der Grinten een plan gevraagd om in verband met het teruglopend aantal bezoekers een wijziging van de inrichting te maken, maar uiteindelijk werd zijn plan niet verder uitgewerkt en werd in 1986 een plan van Theo Verheijen uit Steyl uitgevoerd. Hierbij werd de ruimte in kleinere compartimenten gesplitst met behulp van verrijdbare schermen. Tegelijkertijd werd het bankenplan gewijzigd: de voorste rij verdween en van de achterste bankenrijen werden de hoeken leeggehaald, zodat hier open ruimten ontstonden. In deze ruimten werden twee heiligenbeelden uit de voormalige Klaaskerk, die in 1955 waren overgedragen, in de hoeken tegenover het altaar geplaatst op een bakstenen verhoging. Het aantal zitplaatsen werd van 900 teruggebracht tot 650. Met de afscheidingen werd een dagkapel (met 250 zitplaatsen) ingericht. De afscheiding kan al naar gelang de drukte geheel of gedeeltelijk weggeschoven worden. Het zangkoor had toen al beneden een nieuwe plaats gekregen, waarbij het orgel tegen de linker buitenwand was geplaatst. Bij de aanpassing in 1986 werd het orgel in de voormalige sacramentskapel links van het altaar geplaatst. De biechtstoel werd ingericht als archiefkast en keukenkast ten behoeve van de repetitieruimte van het koor, dat hier zijn plaats kreeg. Door het pijpwerk op te nemen in de zichtwand werd het beeld in de kerk niet dramatisch verstoord. In de kerk werden op de hoeken van de bankenblokken lichtbollen op een metalen stang geplaatst. Bij deze verbouwing sloopte men de biechtstoelen in de voormalige dagkapel en werd deze ingericht als werkkamer. Tevens werden de vensters tussen de kerk en kapel ondoorzichtig gemaakt. De doopkapel werd als dagkapel in gebruik genomen. Hiertoe werd een houten plank over de doopvont gelegd met een dwaal, zodat de vont als altaartafel gebruikt kan worden. De plank en de dwaal kunnen eenvoudig van de vont af worden gehaald indien deze als zodanig gebruikt moet worden. Tenslotte werd de tabernakel ten opzichte van het volk achter het altaar geplaatst. Deze tabernakel werd ontworpen door Verheijen, met gebruikmaking van de oude. Tevens ontwierp hij het nieuwe altaarmeubilair. De tuinaanleg werd in deze tijd eveneens gewijzigd, onder meer door de aanplant van bomen aan de voorzijde van de kerk. Aan de Van Postelstraat werden noodwoningen gebouwd, die als wisselwoning dienst zouden gaan doen. Vanaf 1989 was de kerk regelmatig doelwit van vandalisme. Ramen werden ingegooid en vuilnis werd in de tuin gedumpt. Ook de glazen bouwstenen in de vensters raakten beschadigd. Bovendien bleek, dat bij reparatie de glasbouwstenen niet meer voldeden en soms spontaan stuksprongen. De schade werd telkens hersteld omdat de vensters als gezichtsbepalend werden aangemerkt.

Exterieur

Foto: Job van Nes, juni 2006

De kerk heeft een vierkant grondplan met baksteenmuren in halfsteensverband, platvol gevoegd. In de voor- en achtergevel zijn acht ruitvormige kolommen in het muurwerk gebouwd. Deze ingemetselde pilaren ondersteunen de dakspanten. Op de hoeken van de voorgevel liggen twee ingangen tot de kerk en een toegang tot de sacristie, bestaande uit ijzeren lijsten met doorzichtig glas. De voorgevel heeft aan de onderzijde zes rechthoekige ramen naast elkaar ter verlichting van de voorportalen en de sacristie. Deze vensters bestaan in de onderzijde uit glazen bouwelementen, waarboven een doorzichtig venster. De zijgevels lopen schuin naar achteren af en hebben elk zeven kleine rechthoekige ramen die lukraak in de gevel schijnen te zijn uitgesneden. Op de achtergevel bevindt zich op de gevelvlakken tussen de kolommen een non-figuratief reliëf in baksteen. De gevelvlakken en het reliëf wordt doorbroken door een reeks willekeurig geplaatste kleine vierkante glazen bouwelementen. In de achtergevel bevindt zich de derde toegang tot de kerk. Het platte dak loopt op naar boven van de achterkant van de kerk naar de voorkant. Midden op het dak bevindt zich een zadeldak met aan één zijde bitumen en aan de andere zijde glas. Dit is echter alleen op afstand te zien vanaf de straat. Links van de kerk staat een ronde, bakstenen doopkapel met een rond bakstenen kegeldak. Doopkapel en kerk worden verbonden door een gang met glazen wanden en een plat dak. Rechts van de kerk staat een klokkenstoel uit ijzeren balken, rechtopstaande staanders met horizontale verbindingsbalken. Hierin hangen drie klokken boven elkaar. De toren markeert het overgebleven ingangspad aan de voorzijde van de kerk.

Interieur

Zicht op het priesterkoor

Zicht naar achteren met aflopende vloer

De kerk wordt aan de voorzijde betreden door een dubbele glazen deur, die toegang geeft tot een gang. De ingang aan de rechterzijde heeft vervolgens zicht via een glazen wand op de voormalige zijkapel, nu repetitieruimte. Vervolgens wordt de kerk betreden door een dubbele glazen tochtdeur, die uitkomt aan de zijkant van de ruimte, aan de altaarzijde. De ingang aan de linkerzijde bestaat eveneens uit een gang, met rechts via een glazen wand uitzicht op de voormalige sacramentskapel, nu een werkkamer. Aan de linkerzijde voert een gang met aan twee zijden glas naar de doopkapel. De doopkapel wordt van de gang gescheiden door een dubbele deur met glas. De ronde doopkapel is eveneens in schoon metselwerk uitgevoerd en heeft een vloer met gewassen betontegels. De kapel is overkluisd met een bakstenen kegelgewelf. In de punt bevindt zich een rond doorzichtig koepeltje. In de achterwand van de kerk bevindt zich eveneens een ingang. Deze bestaat uit een centraal in de wand ingebouwde tochtkast met dubbele deuren, waarin matglas is gemonteerd. De kerk bestaat uit een grote ruimte. De muren zijn in schoon metselwerk van pora-lux blokken in halfsteensverband. De muren zijn aan de zijde van de zangtribune gesloten. De zijmuren hebben zeven willekeurig uitgesneden rechthoekige vensters. De achterwand heeft op willekeurige plaatsen glazen bouwelementen ingemetseld. De pilaren van de dakconstructie zijn in de voor- en achterwand te zien. De banken zijn in drie groepen rond het liturgisch centrum opgesteld. De vloer loopt vanaf het altaar op naar de muren. De vloer is voorzien van gewassen grindtegels, de vloer in de altaarruimte van basaltlava tegels. Het plafond bestaat uit ringdeuvelspanten met een houten betimmering, die boven het kerkvolkgedeelte is verlaagd. Boven de altaarruimte staat over de gehele breedte van de kerk een sheddak met een open dakstoel, dat aan één zijde gesloten is en aan de andere zijde is voorzien van glas. De altaarruimte bevindt zich tegen de wand van binnenkomst op het laagste punt van de vloer. Deze wand is betimmerd met redwood en gaat op tot halverwege de ruimte. Tegen de wand staat achter het altaar een tabernakel op een opengewerkte sokkel, beide van witte marmer. Aan weerszijden van de altaarruimte staan twee ambones in hetzelfde hout. De ambones staan tegen de wand en een trap voert vanaf het altaar naar boven. Daarnaast staan witte deuren in de wand, die toegang geven tot de sacristie en overige ruimten direct achter de altaarruimte. Links van het altaar tussen de witte deur en de tochtdeuren staat het pijpwerk van het orgel in de wand. Rechts bevinden zich staande rechthoekige vensters in de wand, die ondoorzichtig zijn gemaakt met matglas. Links van deze vensters is een verdieping in de wand gemaakt, waarin een piëta-afbeelding is opgehangen. Boven de wand staat de voormalige zangtribune. Hier is een schoorsteen te zien, die door de ruimte heen naar boven voert. Achter in de kerk, tussen de bankenklokken, zijn op de hoeken bakstenen sokkels geplaatst. Hier staan de beelden van de HH. Jozef en Nicolaas.

(Bron: Dr A. Jacobs en Drs. A.A. Wiekart – Kerken na 1940. Inventarisatie en waardenstelling kerkelijke bouwkunst na 1940 –Roermond – Stichting Monumentenhuis Limburg, 2003).

Orgel

In 1953 plaatste Verschueren Orgelbouw (Heythuyzen) in deze kerk een tweemanuaals unit-orgel. In de oude kerk was tot 1902 gebruik gemaakt van een harmonium; in genoemd jaar plaatste Stahlhuth (Burt-scheid, D) een orgel dat echter reeds in 1930 versleten bleek en in 1944 verloren ging.

Bron: G.M.I.Quaedvlieg – Orgeldocumentatie Limburg (Stadsbibliotheek Maastricht)

Tekst: ME POSUIT / Christusmonogram VIC. GEN. / PETRUS VAN ODIJK / 9-4-61. Aan de zijde van de doopkapel, buitenwand.

Tafelvormig met drie poten en een rond blad, aan één zijde een ojiefvormige bak gemonteerd in het blad, waarop een bolgewelfd deksel met greep ligt. In de doopkapel.

Hangt achter het altaar. In blauwwitte kleuren wordt de verrezen Christus afgebeeld. Dit is een typisch jaren zestig motief: niet de voor onze zonden lijdende Christus aan het kruis, maar de verrezen Christus, die het kwaad heeft overwonnen. In de vensters werden tussen glasplaten een kruiswegstatie van zijden applicatieborduurwerk geplaatst. Deze waren in 1985, bij de inventarisatie van het kerkinterieur (2002) vanwege de aanstaande herinrichting, vrijwel volledig vergaan. Zij zijn evenwel teruggehangen. De BBC vond de uitvoering van de kunstwerken te iel voor de ruimte, maar gaf toestemming, omdat het hier om een experiment ging.

Ojiefvormige bak met bolgewelfd deksel, in een U-vormige houder aan de wand bevestigd.

 
 
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas
Nicolaas