HOME
ZOEKTIPS
LINKS en LITERATUUR
ORGELS
LAATSTE WIJZIGINGEN
OVER ONS
DONATIES


LAATST BIJGEWERKT OP 30-06-2022

Laudy, Eugène

 
Geboortejaar: 1921
Overlijdensjaar: 1995
Betrokken bij: Agatha (Eys)
Anna (Maastricht)
Armeens Apostolische kerk Surp Karapet'' / Christus' Hemelvaartkerk (Maastricht)
Christus Koning (Geleen)
Christus Koning (Vredeskerk) (Venray)
Dionysius (Schinnen)
Gemma (Sanderbout)
H. Drievuldigheid (Heerlen)
H. Familie (Maastricht)
H. Geest (Roermond)
H. Hart van Jezus (Schandelen)
H. Hart van Jezus (Koepelkerk) (Maastricht)
Hubertus (Bosscherveld)
Hubertus (Blerick)
Jacobus de Meerdere (Bocholtz)
Johannes de Doper (Nieuwstadt)
Johannes de Doper (Eygelshoven)
Johannes de Doper (Baexem)
Joseph (Broekhem)
Jozef (Kerensheide)
Karmelietessenklooster (Echt)
Lambertus (Oirsbeek)
Laurentius (Voerendaal)
Mariakapel Hopel (Hopel)
Martinus (Welten)
Martinus (Horn)
Martinus (Geulle aan de Maas)
Michaël (Sittard)
O.L. Vrouw van de Heilige Rozenkrans (Treebeek)
O.L. Vrouw van Lourdes (Wittevrouwenveld)
O.L. Vrouw van Zeven Smarten (Panningen)
O.L. Vrouw van Zeven Smarten of Paterskerk (en oude kloostermuur) (Venray)
O.L.Vrouw ten Hemelopneming (Kapel in 't Zand), klooster, kruiswegpark (Roermond)
Pancratius (Heerlen)
Petrus (Roggel)
Petrus Banden (Heer)
Remigius (Klimmen)
Ursulinenklooster (voormalig) (Venray)
Vier Evangelisten (Malberg)
Vincentius à Paulo (Rumpen)
Vredeskapel/gedachteniskapel (Heerlen)
 

Eugène Laudy aan het werk in de jaren negentig, foto: Glasatelier Flos te Steyl

 

Een ontmoeting met de kunstenaar Charles Eyck (1897-1983) in 1939 zou de basis vormen voor ruim vijftig jaar kunstenaarschap van Eugène Laudy. Eyck vroeg hem of hij een wandschildering wilde maken in de St. Josefkerk in Broekhem, een opdracht, waar hij in eerste instantie zelf voor benaderd was. De jonge Eugène die op dat moment nog studeerde aan de Middelbare Kunstnijverheidsschool in Maastricht (1936-1941) nam de opdracht onmiddellijk aan.

Een van zijn eerste glas-in-loodramen vervaardigde hij in 1943 in de St.Josefkerk in Kerensheide. Het Ceciliaraam en de roosvensters zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog helaas gesneuveld. In deze eerste jaren werd Laudy stilistisch sterk beïnvloed door zijn leermeester Charles Eyck. Laudy behoorde tot de tweede generatie monumentale kunstenaars die in de zogenaamde ‘Limburgse Barokstijl’ werkte. Begin jaren vijftig ging hij meer en meer werken in een stijl die gebaseerd was op de Byzantijnse en vroegchristelijke vormentaal waarmee hij in 1947 te Ravenna (Italië) in aanraking was gekomen.

De jaren vijftig en zestig vormden de bloeiperiode van Laudy’s monumentale werk (glas-in-lood, glas-in-beton, glas-in-epoxy, glasappliqué, glas- en keramiekmozaïeken, wandschilderingen, wandreliëfs in beton, gietaluminium, keramiek en gelast staal). In deze periode vervaardigde hij de complete beglazing van de H.H. Antonius en de Lodewijkkerk te Den Haag (1958 en 1960). Deze twee glaswanden (in totaal 640 m²) behoren tot het grootste kerkelijke raamoppervlak van Nederland. Voor de glaswand uit 1958 met het thema’ Lofzang der drie jongelingen in de vuuroven’ ontving hij in 1960 zelfs de Limburgse Jongeren Prijs.

Eugène Laudy liet zijn ontwerpen aanvankelijk uitvoeren in het glasatelier van Sef Wielders (een neef van de architect) in Roermond. Nadat Wielders in de jaren 60 was gestopt met dit atelier en een 'doe 
het zelf' zaak was begonnen,  is hij naar Flos in Tegelen overgestapt. (Bron: Luc Laudy).

Laudy’s oeuvre omvat meer dan alleen monumentale kunst. Hij maakte onder andere ook wandkleden, beton- en keramiekplastieken, schilderijen, keramieke wandborden en illustraties.

Veel van zijn monumentale kunst is nog te zien in kerken, kloosters, bedrijven, scholen en zelfs in enkele woonhuizen. Zonder dat mensen het weten, kennen ze het werk van Laudy; het is namelijk verspreid over zesenvijftig plaatsen en zeven provincies in Nederland.

Begin jaren tachtig werd Laudy ziek; een van zijn nieren functioneerde niet meer. Hij moest enkele malen per week een nierdialyse ondergaan. Ondanks zijn ziekte bleef hij toch werkzaam als kunstenaar. Hij was vaak te vinden in glasatelier Flos te Steyl om, ziek of niet, toe te zien op het uitvoeren van zijn ontwerpen in glas-in-lood.

Zijn laatste glas-in-lood opdrachten zijn onder meer te vinden in de Dominicuskerk te Nijmegen (1988-1993), Kapel in ’t Zand te Roermond (1990-1992), de kapel van het karmelietessenklooster te Echt (1992) en de St. Remigiuskerk te Klimmen (1993).

In 1995 overleed Eugène Laudy; het uitvallen van zijn tweede nier werd hem uiteindelijk fataal. De uitvaartdienst vond plaats in de St. Pancratiuskerk te Heerlen, die hij in het verleden met zijn glas-in-loodwerk had gesierd.

Danielle Laudy

Voor meer informatie over Eugène Laudy zie de scriptie van Danielle Laudy, Eugène Laudy 1921-1995, scriptiebegeleiders Dr. M.P.J. Sanders en Dr. E.P. Tibbe, Algemene Cultuurwetenschappen, Radboud Universiteit Nijmegen, 2004.

Zie ook de onderstaande tekst:

100jaar Eugène Laudy
Een creatieve duizendpoot, die schilderde met licht

tekst: Danielle Laudy

 

Zonder dat veel mensen het weten zullen ze het werk van de Heerlense kunstenaar Eugène Laudy kennen. Hij werkte veel in monumentale technieken die permanent te zien zijn in kerken, kloosters, bedrijven, instellingen, scholen en zelfs in enkele woonhuizen verspreid over heel Nederland. Daarnaast maakte hij ook wandkleden, beton- en keramiekplastieken, schilderijen, keramieken wandborden, illustraties voor boeken en kaarten, ingelegde glazen tafelbladen en deurknoppen.

Eugène Laudy werd geboren in Heerlen op 6 september 1921. Op jonge leeftijd tekende Eugène dat het een lieve lust was. Hij wist al gauw dat hij kunstenaar wilde worden. Zijn vader was echter van mening dat hij moest gaan studeren. Zijn broer Cyriel zei daarover: “Studeren moest van mijn vader, wat je daarna ging doen maakte niet uit, al werd je putjesschepper”. Tegen zijn zin ging Eugène naar de HBS, hij hield het echter voor gezien in het vijfde jaar. In 1936 mocht hij uiteindelijk toch naar de Middelbare Kunstnijverheidsschool in Maastricht. Omstreeks 1941, het laatste jaar van zijn opleiding aan de Middelbare Kunstnijverheidsschool in Maastricht, hielp Eugène Laudy de directeur Jef Scheffers met het oprichten van een monumentale afdeling. In die tijd waren veel monumentale kunstenaars uit Zuid-Nederland aangewezen op de Rijksacademie in Amsterdam of het Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten te Antwerpen. Deze afdeling in Maastricht vormde een alternatief, maar veel kunstenaars uit Limburg trokken echter nog steeds naar Amsterdam of Antwerpen. Pas in 1948 zou in Maastricht de Jan Eyckacademie worden opgericht.

Op een mooie lentedag was de 19-jarige Eugène buiten het mooie Limburgse landschap in Strabeek aan het schilderen. Een wandelaar vroeg of hij zijn schetsboek mocht inzien. Hij scheurde er prompt een blad uit en vroeg of hij dit mocht houden. De wandelaar stelde zich voor als Charles Eyck en vroeg Laudy of hij een wandschildering wilde maken in de St. Josefkerk in Broekhem, een opdracht, waar Eyck in eerste instantie zelf voor benaderd was. Laudy zei gelijk ja en zag dit als de kans van zijn leven, hoewel hij hiermee totaal geen ervaring had. De pastoor zag de eerste schetsontwerpen van Laudy echter niet zitten, omdat Eva te schaars gekleed was.Na advies van Eyck om wat meer verf aan te brengen op hetzelfde ontwerp, mocht hij de opdracht uiteindelijk toch uitvoeren. In deze beginjaren werkte Laudy veel in de stijl van Charles Eyck (1897-1983) en geeft alleen de signatuur uitsluitsel wie van hen de vervaardiger is.

Met de wandschilderingen en glas-in-loodramen uit deze periode is Laudy een navolger van de Limburgse glazeniers Joep Nicolas, Henri Jonas en Charles Eyck. Voorbeelden hiervan zijn te vinden in onder andere: een wandschildering uit 1942 in de O.L.V. Hulp der Christenen te Landgraaf (Nieuwenhagen), wandschilderingen uit 1943 en 1945 en glas-in-loodramen uit 1952/53 in de St. Jozefkerk te Stein, het St. Rosaraam uit 1948 op het zangkoor van de St. Michielskerk te Sittard en verschillende glas-in-loodramen uit de periode 1947-1950 in de St. Pancratiuskerk te Heerlen.

Eugène Laudy maakte tijdens zijn studie in Maastricht reizen naar Frankrijk, Spanje en Italië. Vooral in dit laatste land deed hij veel nieuwe indrukken op. Tijdens deze studiereizen kwam hij onder meer in aanraking met het werk van Fra Angelico en El Greco die hij zeer wist te waarderen en die een inspiratiebron voor hem vormden. Na zijn opleiding in Maastricht studeerde hij in 1947 aan de mozaïek-school in Ravenna (Italië). Hij maakte zich in deze tijd langzaam los van zijn leermeester Charles Eyck en ontwikkelde een eigen stijl, waarbij hij zich liet inspireren door de Byzantijnse en vroegchristelijke kunst die hij in Italië had leren kennen. Deze vormentaal is onder meer te zien in vijf glas-in-loodramen (voorstellende: St. Nicolaas, de Moeder Gods, St. Andreas, St. Barbara en St. Servatius) uit circa 1952-1953 in de St. Pancratiuskerk te Heerlen.

In 1958 en 1960 vervaardigde hij de grootste opdracht uit zijn loopbaan, de beglazing van de Antonius en Lodewijkkerk te Den Haag. De twee glaswanden zijn met in totaal 640 vierkante meter de grootsten van Nederland. De Culturele Raad Limburg riep in 1960 een Jongeren Prijs in het leven voor beeldende kunstenaars tot de leeftijd van veertig jaar. Deze prijs werd voor het eerst uitgereikt aan Eugène Laudy en Lei Moulin. Laudy kwam met zijn 39 jaar nog net in aanmerking voor de prijs, die hij ontving voor de eerste glaswand in de Antonius en Lodewijkkerk uit 1958.

 

De twee enorme glaswanden uit de Antonius en Lodewijkkerk te Den Haag grijpen terug op de Byzantijnse vormentaal, maar ze luiden ook een nieuwe stijl in. Typerend voor deze stijl is het gebruik van voornamelijk blank glas in de achtergrond, met zwart glas en brede contourlijnen die de vormen scherp afbakenen. Voorbeelden hiervan zijn onder meer te vinden in eenentwintig ramen uit 1959-1961 in het schip van de H. Vincentius à Paulo kerk te Brunssum, twee glaswanden uit circa 1963 in het NH Conference Center Koningshof in Veldhoven (voormalig klooster Zusters van het Heilige Hart), een raam uit 1964 in het gebouw van Thuiszorg Noord-Limburg (voorheen Vredeskerk) te Venray, en twee transeptramen uit circa 1961 en 1966 in de O.L.V. van Lourdeskerk te Nijmegen.

De werkwijze van de glazenier Eugène Laudy was als volgt. Nadat hij een opdracht had gekregen maakte hij eerst schetsontwerpen op een schaal van ongeveer 1 op 10. Deze ontwerpen werden vaak met waterverf of gouache ingekleurd. Kerken en kloosters gaven vaak zelf aan welke voorstellingen ze uitgebeeld wilden zien op de ramen of werden daarin geadviseerd door Liturgische Commissies van het betreffende bisdom. Het schetsontwerp en de prijsopgave voor de uitvoering werden vervolgens aan de opdrachtgever voorgelegd. Als het een kerkelijke opdracht betrof werden de plannen die goedgekeurd waren door het kerkbestuur of de pastoor eerst nog voorgelegd worden aan de Bouwcommissie van het bisdom. Nadat het schetsontwerp was goedgekeurd kon Eugène Laudy zijn schetsen verder gaan uitwerken.

 

Van de schetsontwerpen maakte hij een werktekening op ware grootte, waarop ook de dikte van de loodlijnen door Laudy nauwkeurig aangebracht werden. Vervolgens werd een snijtekening gemaakt, waarop het patroon waarin het glas gesneden moest worden zichtbaar werd. Laudy kende alle nummers van glas, de zogenaamde kleuraanduidingen, uit zijn hoofd. Hij kon dus al op de snijtekening aangeven welke stukken glas hij wilde gebruiken. Eugène Laudy was er altijd zelf bij als het glas voor zijn ontwerpen werd uitgezocht en gesneden. Hij hield dan ook heel erg goed in de gaten of de loodlijnen, die door de loodzetter gemaakt werden, precies overeenkwamen met de loodlijnen in zijn ontwerp.

 

Als hij de glas-in-loodramen nog van brandschilderingen wilde voorzien, om schaduwen en lijnen aan te brengen, bijvoorbeeld plooien in gewaden, details op gezichten en handen, letters, dan moest dat ook in het glasatelier gebeuren. Laudy bracht de brandschilderingen zelf aan met een donkerbruine soort emailverf, die daarna in de oven in het glas gebrand werden. De werkstadia voor een glas-in-betonraam of een glas-in-epoxyraam komen in grote lijnen overeen met die van een traditioneel glas-in-loodraam. In plaats van lood worden beton of epoxyhars gebruikt om de constructie tot stand te brengen. In de ontwerpen moet wel rekening worden gehouden met grotere ruimtes tussen de stukken glas.

Eugène Laudy leverde niet alleen het ontwerp, maar hij voerde het werk dus ook gedeeltelijk zelf uit bij verschillende glasateliers. Hij werkte samen met de ateliers van Den Rooijen en Wielders (Roermond), Mesterom (Bunde) en Flos (Steyl). Hij vervaardigde de meeste opdrachten in samenwerking met vaste architecten; waaronder Th.H.A. Boosten (Maastricht) en F.P.J. Peutz (Heerlen).


De kerkelijke opdrachten namen in de jaren zestig af als gevolg van de ontkerkelijking en een veranderde opvatting over de relatie tussen de geloofspraktijk en het kerkinterieur. Veel kerken kwamen in financiële problemen: er was geen geld meer voor glas-in-loodramen of andere monumentale kunstwerken. Bovendien streefden veel kerken vanuit de geloofsbeleving naar meer helderdaglicht en een versobering in de aankleding.

Door het wegvallen van de kerk als opdrachtgever werd Eugène Laudy gedwongen op zoek te gaan naar andere inkomstenbronnen. Er kwamen enkele nieuwe opdrachtgevers voor in de plaats, zoals scholen, bedrijven, instellingen en rijksgebouwen. Daarnaast vulde hij zijn inkomsten aan met lesgeven. Hij werkte drie jaar als docent aan de Pedagogische Academie. In Heerlen was hij als docent ook verbonden aan de School voor Vrije Uren (creativiteitscentrum) gevestigd aan de Putgraaf. Verder werkte hij als artistiek leider in een klei-atelier te Brunssum en begeleidde hij als rijksgecommitteerde aan de Academie van Maastricht vanaf 1954 meerdere jaren de examens. Ook gaf hij in zijn eigen atelier les in onder andere schilderen, aquarelleren en keramiek.

 

In 1972 gaf Laudy in een interview in het Limburgs Dagblad de volgende reactie toen hem gevraagd werd of lesgeven niet remmend werkte op zijn creativiteit. “Dat doet het zeker. Ik was drie jaar docent aan de Pedagogische Academie in Heerlen. Dat vond ik wel boeiend werk. Maar je hebt weer een hele tijd nodig om van de school los te komen als je thuis bent. Je moet minstens een paar dagen per week helemaal vrij zijn, anders moet je het eigen werk maar afschrijven. Ik had het geluk dat ik woensdagmiddag mijn rooster af had, daardoor kon ik de rest van de week weer werken. Het lesgeven biedt anders wel een financiële zekerheid die je als vrij kunstenaar zelden hebt. Het is altijd een slingerend bestaan.” Dit had Laudy in 1963 al eens aan den lijve ondervonden. In dat jaar kreeg hij een auto-ongeluk in Zeeland, waardoor hij en zijn zoontje Luc gewond raakten. Eugène Laudy lag zelf geruime tijd in het ziekenhuis met een hersenschudding. Hij heeft nog jarenlang geprocedeerd om een schadevergoeding te krijgen van de schuldige partij van de aanrijding, om misgelopen inkomsten te compenseren.

In de jaren tachtig en negentig kreeg hij weer kerkelijke glas-in-loodopdrachten, deze grepen echter terug op de stijlen waarin hij werkte in de jaren vijftig en zestig en in sommige gevallen zelfs op nog vroegere stijlperioden. Zijn laatste opdrachten waren onder meer in de kapel Onze Lieve Vrouw in ’t Zand te Roermond, de Dominicuskerk te Nijmegen en het klooster van de karmelietessen te Echt.

Tegenwoordig heeft de architectuur uit de jaren vijftig en zestig het zwaar te verduren. Veel naoorlogse gebouwen worden gesloopt om plaats te maken voor nieuwbouw. Met de ondergang van deze architectuur, wordt ook de monumentale kunst bedreigd. Veel van deze kunstwerken zijn namelijk niet gesigneerd en door gebrek aan kennis worden ze maar al te vaak niet op waarde geschat. De slopershamer vernielde zo al veel werk van Eugène Laudy.

 

Monumentale kunst kan echter ook uitgenomen en opgeslagen worden. Mensen bewust maken van de historische waarde van deze monumentale kunst kan er zorg voor dragen dat uitgenomen kunstwerken worden herplaatst in nieuwbouw. Met de herbestemming van kerken als museum, bibliotheek, archief, uitvaartcentrum, kantoor- of woonruimte, kunnen de prachtige werken van Eugène Laudy voor toekomstige generaties behouden blijven.

Begin jaren tachtig werd Eugène Laudy ziek; een van zijn nieren functioneerde niet meer. Hij moest enkele malen per week een nierdialyse ondergaan. Ondanks zijn ziekte bleef hij toch nog werkzaam als kunstenaar. Hij was vaak te vinden in het atelier Flos te Steyl om, ziek of niet, toe te zien op het uitvoeren van zijn ontwerpen. In 1995 overleed Eugène Laudy. De uitvaartdienst vond plaats in de St. Pancratiuskerk te Heerlen, die hij in het verleden met zijn glas-in-loodwerk had gesierd. Eugène Laudy werd 73 jaar.

De 100ste geboortedag van deze creatieve duizendpoot kon de familie Laudy natuurlijk ondanks de wereldwijde corona pandemie niet ongemerkt voorbij laten gaan. Eind 2021 zou er een mooie overzichtstentoonstelling te zien zijn in Museum Valkenburg. De buiten zijn oevers tredende Geul gooide in juli helaas roet in het eten en veranderde de tentoonstellingsagenda van het museum ingrijpend. Men moest eerst alle schade van het wassende water herstellen. De tentoonstelling zal, als alles goed gaat op 9 januari 2022 zijn deuren eindelijk openen.

 

Zie ook: http://www.rijckheyt.nl/archief/resultaat?search=Rijckheyt+website&mivast=62&mizig=210&miadt=62&micode=511&milang=nl&mizk_alle=Eug%C3%A8ne%20Laudy&miview=inv2